Geschiedenis

 

Wij steken in gedachten over een paar oceanen en zien in het jaar 1630 een door koortsen geteisterde inboorling van Peru, zich moeizaam naar een meertje slepen in het oerwoud van het berggebied van deze Zuid-Amerikaanse staat. Deze inboorling deed, wat een ieder zou doen, die zich koortsig voelt. Hij tracht te drinken en de vreselijke dorst te lessen, die het gevolg is van langdurige hoge temperaturen. Hij dronk en viel aan de kant van het meertje in slaap, ontwaakte en voelde zich verkwikt. Hij dronk weer van het heilbrengende water en merkte de bittere smaak, maar telde deze niet.

Hij verbleef enige tijd bij het bergmeertje, voorzag in zijn eerste levensbehoefte door de producten welke een Zuid-Amerikaans oerbos in grote hoeveelheden oplevert en dronk, dronk en dronk. Na enige dagen spoedde hij zich naar de hoofdplaats van het district, Puno, waar hij de blijde mare verspreidde, dat in de bergen een wondermeertje was, welks water in staat was de zo hevig woedende malaria-koortsen te bedwingen.Het wilde, dat juist de corregidor van LOxa: Don Juan Lopez de Canizares, zelf door koortsen gekweld terneer lag. Deze zond zijn dokter naar het meertje. Enige tijd later kwam zijn lijfarts terug , niet alleen met het bittere water, maar ook met grote hoeveelheden bast, afkomstig van een in het meertje gevallen boom, welke kennelijk de bittere smaak aan het water had toegevoegd. Ook de Corregidor genas en spoedde zich naar de lijfarts van de Gravin del Cinchon, echtgenote van de onderkoning van Peru, die onmiddellijk het grote belang van deze ontdekking inzag. En daarin gesteund door haar echtgenoot, alles liet doen om zo snel mogelijk, grote hoeveelheden der “wonderbast” te verzamelen. De latijnse naam der kinaboom, heeft aan deze Vrouwe haar naam te danken.

Wij kennen de kinaboom als CINCHONA, de naam dus , die teruggrijpt op het grijs verleden en ons de herinnering bewaart aan de romantische oorsprong van dit zo zegenrijk geneesmiddel. ( Uit Lineus)De kinabast in gemalen vorm heeft dan ook tijden lang als naam gedragen: Polvo de la Condesa:Gravinnenpoeder, of , naar de ijverige verspreiders hiervan, de Paters jezuïeten: Paterspoeder of Jezuïetenpoeder. Omstreeks 1640 werd de eerste kinabast in Spanje ingevoerd en werd door de toenmalige grote geneesheren, waaronder Herman Boerhave en de Engelsman Sydenham, na ampele proefnemingen, met grote instemming ontvangen en voorgeschreven. Oude recepten, welke bewaard zijn gebleven bevesti8gen het gebruik hiervan, reeds in de 17 de en de 18 de eeuw. Doch…. er was een groot bezwaar, met name de zeer hoge prijs van dit prachtig geneesmiddel, maakte het onmogelijk om hiervan een voor de mensheid juist gebruik te kunnen maken. De ongeregelde toestanden in de Zuid-Amerikaanse republieken – men had inmiddels ook in de oerbossen van Bolivia en Chili de “wonderboom” ontdekt – maakten de regelmatige aanvoer van basten zeer problematisch. Het geknoei met mengingen en onzuiverheden, deden afbreuk aan de goede naam van het product.

En zo zou bijna dit praktisch onvervangbare geneesmiddel voor de mensheid verloren zijn gegaan. In 1820 echter werd nieuwe interesse gewekt voor de kinabast, door de heren Pelletier en Caventou. Vermaarde scheikundigen uit Frankrijk. De wetenschappen hadden vorderingen gemaakt en zodoende was het mogelijk gebleken de werkzame bestanddelen uit de bast af te zonderen. Het bleek deze heren, dat een bepaald alkaloïde, door hen KININE genoemd, het belangrijkste koortswerend middel was. Zij konden dit afzonderen uit de basten, naast KINIDINE , CINCHININE en CINCHONIDINE en naast de normale vulling van een bast, welke circa 94 % besloeg en volkomen waardeloos was. Toen was het dus mogelijk het geneesmiddel behoorlijk te doseren, af te wegen, en zijn werkzaamheid grondig te toetsen aan de zich – in de klinieken – voordoende gevallen. Maar ook TOEN werd het vraagstuk der geregelde bastaanvoer eerst recht dringend, temeer zo, daar bleek, dat de basthalers in Zuid Amerika, de zgn. cascarillos, zwaar roofbouw hadden gepleegd en nimmer geprobeerd hadden de Kina boom te telen, zodat zij gedwongen werden immer verder en verder het oerwoud in te trekken om de zo zeer begeerde basten te bemachtigen.

De Europese regeringen met grote door malaria besmette gebieden, hetzij in hun eigen land, – – wij denken hierbij aan de zeer ongezonde toestanden in Noord Holland, vlak ten Noorden van Amsterdam, of in hunne toenmalige koloniën – – zagen uit naar middelen om zich zaden en plantmateriaal te verschaffen van de zo zeer begeerde Cinchona.Toen dan ook nog de prijs van een kilogram kinine opliep tot FL 1350,- in het jaar 1824 ( en dat waren nog Guldens! ), besloten zowel de Engelse, Franse en Nederlandse regeringen alles in het werk te stellen om zich op EIGEN TERRITOIR kina-aanplantingen te verschaffen.

Hij werkte in deze onderneming totdat in het jaar 1925, de mogelijkheid werd geopend om ontginningsemployé te worden op een nieuw te openen afdeling van de G.K.O., welke uit een der bosgebieden van de Pengalenganse hoogvlakte zou moeten worden ontgonnen