De Kolonie Nederlands-Indië

Tindonesië zoals wij dat nu kennen, bestaat uit vele eilanden en heeft 300 jaar koloniale tijd gekend.

Een kolonie is een gebied veroveren buiten het eigen land. Om er een nederzetting op te richten (vgl. Van Dale) Deze nederzetting wordt door het andere land bestuurt (gezaghebbers)  Dat ingenomen gebied is bedoeld om in cultuur te brengen of om winst mee te maken. Een land wordt in cultuur gebracht, door de gebruiken en gewoonten o.m. gedragsnormen van een bepaald volk over te dragen. In Indië was sprake van een mengcultuur. De tweede generatie, de daar geboren Indische-Nederlanders, hadden cultuur gewoonten van zowel het Indië als van Nederland. Ook de Indiërs hadden hun eigen culturele gewoontes met die van de Nederlanders gemengd.

De Nederlandse kolonie is uit winst oogpunt ontstaan. Het land dat een gebied tot een kolonie maakt, wordt de kolonisator genoemd. Wanneer een land bezig is met een kolonie (of meerdere kolonies) te stichten, wordt dat kolonisatie genoemd. Naast de Nederlandse Republiek, werden landen, sinds 1673, tot een kolonie gemaakt door Frankerijk, Koerland, Portugal, Spanje, Verenigd Koninkrijk, Zweden, België, Duitsland, Denemarken, Duitse Rijk, Italië, Portugal, Rusland, Japan, Verenigde  Staten, Noorwegen.

 

Factorijen

Tussen 1594 en 1795 werden circa 4800 handelsreizen naar Azië gemaakt. Waar Nederlanders een heel netwerk aan factorijen hadden. Een factorij was een nederzetting die in handen was van een Europese compagnie. Een bedrijf dat de factorij liet besturen door een uitgezonden opperhoofd of factoor (directeur, commandeur of gouverneur) De factoor zorgde voor de inkoop, verkoop en ruilhandel.

De factorijen varieerde in grootte. Bestaande uit slechts een paar pakhuizen en woningen voor het personeel. Of met een ruimere opzet, een hoofdkantoor, een kerk, een garnizoen met een versteking of fort om de handelspost te verdedigen. In de factorijen werden de producten voor verzending gereed gemaakt. Gewogen en verpakt (De Meij van Streefkerk en Schovel, 1831)

Naast factorijen (nederzetting) bezat Nederlandse Republiek landstreken en eilanden. Op de eilanden waren handelsposten voor opslag gevestigd.

VOC

In 1602 werd de VOC (Verenigde Oost Indische Compagnieën) opgericht. De Compagnie bestond uit meer dan 100 schepen en verschafte werk aan vele duizenden mensen. Voor behoud van de handelseconomie, kreeg deze onderneming het recht om oorlog te voeren namens de Nederlandse Republiek. Ook voerde ze recht uit om verdragen te sluiten met inheemse vorsten en oefende zij rechtspraak uit. Zo kregen de vorsten een monopolie op de handel in hun gebied en werd de vrije handel ontwricht, die vooral in Javaanse, Chinese en Arabische handen was.  Er werd vooral gehandeld in specerijen, porselein, zijde, satijn, diamant, sabels, edelstenen, goud,  schildpadden kruidnagels (Molukken) nootmuskaat en foelie (Blanda-elanden). De VOC was de eerste multinationale onderneming ter wereld (Doel, 2o00)

De straat van Malakka was in 1641-1824 in het bezit van de VOC gekomen voor de handel. Met name voor de peperhandel vanuit Atjeh en ook Palembang en Jambi. Daarnaast konden zij de zeevaart beveiligen voor zeeroverij, echter juist bij het eiland Atjeh waren piraten actief. Met het Sumatra-Traktaat (1824) werd vastgelegd dat Atjeh onafhankelijk zou blijven. Met de opening van het Suezkanaal werd de aanvaarroute naar Indië verlegd via Atjeh. Om de rust in het handelsverkeer te verkrijgen moest Atjeh ingelijfd worden bij het Nederlands koloniale rijk. De expedities in 1873 mondde echter uit in een langdurige oorlog tot 1942 (Stolwijk, 2016)

Pogingen tot handel met China mislukten en in Japan werd het VOC slechts geduld. De Nederlanders kwamen echter niet verder dan het Japanse eilandje Deshima. Ook  andere handelscompagnieën kregen geen toegang tot Japan. Missionarissen die de Japanners poogde te bekeren tot het christendom, o.m. Spanjaarden en Portugezen, vonden de dood.

Onderstaande foto toont de haven van Nagasaki (1820) met het eilandje Dejima waarop de Nederlandse vlag te zien is.

Eiland Dejima (foto, Crafst Council Nederland)

Eiland Dejima (foto, Crafst Council Nederland)

Wanneer de Engelsen tijdens de vierde Engels-Nederlandse oorlog (1780-1784) vele handelsposten hadden ingenomen en volle handelsschepen van de VOC hadden gekaapt, liepen de verliezen sterk op. Door de oorlog met Frankrijk, kwamen de handelskantoren in handen van de Engelsen. In 1795, werd de VOC failliet verklaard en genationaliseerd.

 

Mengtaal Lingua Franca

De Maleiers waren nauw betrokken bij de zeehandel. Op basis van hun taal het Maleis, ontwikkelde zich door de eeuwen heen op de diverse eilanden rond de zeestraat een  ‘Lingua Franca’, een vrij eenvoudige handelstaal. Waardoor het voor kooplieden en zeevarenden uit diverse landen gemakkelijker werd om met elkaar te communiceren en handel te drijven. Dit Maleis vormde later de basis voor het hedendaagse Indonesisch ofwel het Bahassa Indonesia. Deze eigen taal werd door de Nederlanders aangemoedigd. De VOC was een handelsonderneming en zag het verbreiden van de Nederlandse taal niet als een van haar kernactiviteiten. Het Nederlands bleef een officiële taal, maar slechts in beperkte kring (Steenmeijer, 2009)

 

Landrentestelsel en Cultuurstelsel

In 1830 werd onder Willem I, het cultuurstelsel in Nederlands-Indië ingevoerd ter vervanging van het landrentestelsel. Bij het landrentestelsel droeg de Inlandse bevolking 2/5 deel belasting af, een vorm van pacht, over de door haar bebouwde landbouwproducten. Daarentegen verplichtte het cultuurstelsel de bevolking 20% van de grond, vorm van pacht, te gebruiken voor gouvernementsproducten. Dit waren producten voor de Europese markt, zoals koffie, indigo, thee en suiker. Door de Nederlandse Handelmaatschappij werden deze producten in Europa geveild en verkocht (Phijffer, 2000)

De Inlandse vorsten kregen zogenoemde cultuurprocenten, wanneer hun producten meer opbrachten in Nederland. Zij kregen dan ook meer uitbetaald. De boeren kregen slechts ‘plantloon’ wanneer hun producten meer waarde had dan de vroegere landrente. Boeren die geen geschikte grond hadden en om deze reden geen producten voor de Europese markt konden telen, moesten 66 dagen per jaar voor het gouvernement werken, de zogenoemde ‘herendiensten’. Dit stelsel leidde veelvuldig tot uitbuiting van de inheemse bevolking door de Inlandse vorsten. De verpaupering van de inheemse bevolking, leidde uiteindelijk tot de afschaffing van het cultuurstelsel in 1870.  Hiermee werd het particulier initiatief in Java bevorderd en was het economisch Nederlands belang beschermd.

 

Agrarische wet en Suikerwet

Twee ondersteunende wetten die het particulier initiatief bevorderde waren de Agrarisch Wet (vastlegging van de eigendomsrechten van de grond) en de Suikerwet (Europese particuliere bedrijven konden in Nederlands-Indië suikerplantages beginnen) Nu werd in Indië ook tabak en rubber geteeld. De afschaffing van het Cultuurstelsel zorgde echter niet voor betere omstandigheden voor de inheemse bevolking (Phijffer, 2000)

De ‘herendiensten’, waren een afspiegeling van de dan gangbare slavenhandel. Het toe-eigenen houdt in, mensen rechteloos maken in de keuze hoe het eigen leven te leiden (zelfbeschikkingsrecht) Met als gevolg uitbuiting. In deze periode werd na 2 eeuwen de slavenhandel in 1858 afgeschaft (mensenhandel begon in 1634, Curaçao, waarna Afrika, Suriname en vooral Zuid-Oost Azië: trans Atlantische slavenhandel) (Kromhout, 2007)

 

Ethische opdracht

Rond 1900 voerde het inheems volksbelang meer de boventoon, dan het koopmansbelang van de VOC tijd. De Nederlandse staat stond voor een ethische opdracht. Vanuit progressief-liberale kring sprak men over ‘ereschuld’, die Nederland, vooral aan de Javanen had in te lossen. De protestanten spraken van een ‘zedelijke (of morele) verplichting’. Dit politieke beleid richtte zich op het bevorderen van irrigatie (o.m. aanleg van wegen, voorlichting/kennis overdracht over landbouw en visserij) emigratie (verplaatsing van Javanen naar minder bevolkte Indische eilanden) en bevorderen van educatie (volksonderwijs, tegengaan van segregatie). Het beleid beoogde economische en politieke zelfstandigheid van de Nederlandse kolonie (Blok, 1977-1986)

Onderwijs werd hiermee toegankelijk voor de inheemse bevolking. Door het hoge percentage analfabetisme (93%) in 1930, duurde het nog een zeer lange tijd eer het hoger onderwijs voor een bredere laag van de bevolking toegankelijk was. Bij het opheffen van deze segregatie, werd dan ook uiteindelijk de hogere functies toegankelijk voor een bredere laag van de bevolking. De ambtelijke (top)functies werden dan ook nog lange tijd vervuld door Nederlanders (vgl. Baudet en Brugmans, 194)

Als gevolg van de crisisjaren werd ten eerste onvoldoende budget toegewezen om de vastgestelde doelen te halen. Zodat veel koloniale ambtenaren het geloof in het succes van de politiek verloren. Ten tweede beoogde het beleid, economische en politieke zelfstandigheid van de Nederlandse kolonie. Hierdoor groeide het zelfbewustzijn van de bevolking en daarmee het ontstaan van de Indonesische Nationale beweging. Het begrip nationalisatie werd door een kleine groep intellectuelen geïntroduceerd.