Romusha’s

Romuschas zijn Javaanse dwangarbeiders, door Soekarno geronseld voor de Jappanners.

Duizenden Romusha’s hebben een jammerlijke dood in Birma ( spoorweg) Borneo en in de mijnen van Japan gevonden. Men schat dat er zo enkele miljoenen van deze Romusha’s door uitputting, mishandeling en ziekte zijn gestorven. Tot 90 % van de Romusha’s heeft het niet overleefd.

De Neyama tunnel:
Om deze tunnel te realiseren moesten de Romusha’s dagelijks grote hoeveelheden rots verwijderen met pikhouwelen uit het eigen dorp. Het traject moest, zonder één bulldozer, dwars door de rotsen heen gehakt worden, waarbij het vrijgekomen gesteente met mankracht moest worden afgevoerd. Eenmaal buiten de tunnel moesten zij door de moerassen en jungles van Campurdarat, ondanks de angstaanjagende aanblik daarvan.

Birma spoorweg:
Oorlogsmisdaden, zoals doorsteken van trommelvliezen, onthouden van voedsel,slaan en doodtrappen, bleken hier zeer vaak te zijn voorgevallen. “Indonesia cooli’s who suffered from cholera, for example were often forced into common pit graves and buried alive.”
Uit onderzoeken van de lichamen bleek , dat er experimenten van biologische proeven gedaan waren, om de resultaten aan Tokio te kunnen doorgeven. ( Prisoners of the Japanese in World War II) Als na 15 augustus 1945 de eerste, vermagerde ex-krijgsgevangenen vrijgelaten worden uit hun kampen van Changi in Singapore, treffen zij romusha’s aan, die op zoek naar voedsel zijn. Op straat liggen lijken.
Nog erger is de toestand in de kampen van de Romusha’s zelf. Overal liggen al of niet opgestapeld, de doden. Daartussen, in een ondraaglijke stank, de nog levenden, die niet meer de kracht hebben op te staan om naar voedsel te zoeken.

Een ploeg van enkele tientallen, ex krijgsgevangenen, die er wat beter aan toe zijn, begint meteen aan het lenigen van de ergste nood. In de kampen van de blanken waren tenminste nog enkele doktoren, die weliswaar primitief, hulp konden bieden. In de meeste romusha-kampen was echter helemaal geen medische zorg. Wie ziek was en niet meer kon werken, ging dood.
De Jap bekommerde zich niet om mensen, maar om hoe snel hij aan nieuwe arbeidskrachten kon komen. Er waren veel Romusha’s naar elders gebracht. Het Rode Kruis ( het laatste transport in juli 1947) heeft zoveel mogelijk deze mensen, naar hun woonplaatsen teruggebracht. Maar velen zijn nooit teruggekeerd. Zij zijn simpelweg zoekgeraakt, nooit gevonden, vergeten en achtergebleven, vrijwillig of onvrijwillig. Voor zover zij nog leven, wonen zij en hun nakomelingen nog steeds in de ruige binnenlanden van Borneo, Sumatra, Halmaheira en het vroegere Nieuw-Guinea. Ze hebben gezinnen gesticht op afgelegen eilanden als Guadalcanal of in de Andanam-archipel. Of ze zijn burgers geworden van landen in Indo-China.
Hulp was noodzakelijk, hulpmiddelen waren schaars en in Nederlandse handen. Dus kwam de bevolking op deze hulp af. De aanvankelijk humanitair opgezette hulp werd al snel een van de middelen, waarmee Nederland poogde zijn kolonie in de Oost te behouden.( Tussen Banzai en Bersiap)

De ramp met de Junyo Maro en het drama van de Pakan Baroe spoorweg:
De ramp met de Junyo Maro is nauwelijks bekend, terwijl deze ramp toch vele malen groter is als de ondergang van de Titanic. Van de 6500 Javaanse dwangarbeiders, romusha’s en geallieerde meest Nederlandse krijgsgevangenen bestemd voor de bouw van de Pakan Baroe spoorweg, kwamen 5620 om het leven bij de torpedering van dit schip. Getorpedeerd door een Britse onderzeer.
Dit kon gebeuren omdat de Japanners de gehele oorlog de regels van de conferentie van Geneve aan hun laars hebben gelapt en hun boten niet voorzien waren van het Rode Kruis embleem. Ook gooiden zij tussen de drenkelingen nog bommen om eventuele onderzeeërs te treffen. In de geschiedenis boekjes wordt alleen vermeld dat zij nog ruim 600 drenkelingen ( arbeidskrachten! ) wisten te redden.
( Overigens zijn de Amerikanen ook in de fout gegaan toen zij bijna 20 Japanse hospitaalschepen, duidelijk met het rode kruis gemerkt het slachtoffer lieten worden van hun vliegtuig en onderzeebootaanvallen!).( De Japanse burgerkampen…..)

Tijdens de werkzaamheden aan de spoorweg zijn er nog velen gestorven door de slechte behandeling en het zware werk. Romusha’s werden niet begraven, bleven zo liggen of door leguanen opgegeten. Hier werd het wel heel duidelijk, dat het de bedoeling was, dat er zo veel mogelijk zouden overlijden.
Bij de bevrijding kregen de Britten wat er over was van de koopvaardijvloot onder hun beheer en evacueerden na de Japanse capitulatie eerst de Engelsen, Australiërs en de Amerikanen voor de Nederlanders aan de beurt kwamen. Ook hier het probleem van alsnog overlijden van hen, die zich dood aten, toen er meer eten kwam. De extremistische elementen in Pakan Baroe zagen de Nederlandse verzorging van de Javaanse koelies met lede ogen aan. De sfeer werd met de dag grimmiger. Na november 1945 moesten de laatste nog rondzwervende romusha’s aan hun lot worden overgelaten.

Generaal Tanabe werd als eerste verantwoordelijk gesteld voor alle op Sumatra gepleegde oorlogsmisdaden. Hij is op 30 december 1948 ter dood veroordeeld.( Op dood spoor) Evenals de Birmaspoorweg, die van Zuid naar Noord Sumatra liep,was het doel om goederen per trein te vervoeren, omdat dat veiliger was, dan overzee, waar Japan zijn overmacht verloren had