Buitenkampers

De Japanse bezetting was een racistische oorlog, om een Groot-Oost-Azië te creëren. Alles wat Europees was, moest geëlimineerd worden. De ca. 80.000 totoks (Indische-Nederlanders, daar geboren en/of wonende met blank-bloed) werden geïnterneerd in de Jappenkampen. Wanneer de indo’s zij ‘met een kleurtje’ (gemend bloed: Nederlanders en Aziatisch) een lichte kleur hadden en er minder Aziatisch uitzagen, werden ook zij geïnterneerd. Dit waren ca. 20.000 mensen. Daarbij werden de militaire (in de Indische Militie) ongeacht hun huidskleur, krijgsgevangen gemaakt. Zij waren immers tegen de Japanse bezetters. De overige Europeanen, van gemengd bloed en er Aziatisch uit zagen, ca. 220.000 werden niet geïnterneerd en bleven buiten de kampen. De ‘buitenkampers’.

Hoewel zij (Indo’s) zich ook bewust waren van hun inheemse wortels, maakten zij in het dagelijks leven deel uit van de Europese samenleving in een Indonesische omgeving. Na de val van Indië bleek hoezeer ze waren vervreemd van hun inheemse wortels. Indonesiërs voelden zich vrijer en lieten zien hoe ze tegenover Indo’s stonden. De loyaliteit van Indo’s aan Nederland en de Nederlanders werd gezien als het mede-onderdrukken van de Indonesiërs. Het ressentiment kwam naar buiten en Indo’s kregen te maken met intimidatie en agressie van Indonesiërs. Die werden daarbij gesteund door de bezetters (Croix, de la,  www.indischhistorisch.nl) Om de indo’s mogelijk aan de kant van de Japanse bezetter te krijgen, werd hen door de ‘Jap’ een rol beloofd in het Groot-Oost-Azië. Of gedwongen in o.m. een landbouwkolonie te werken. De ‘buitenkampers’ stonden volledig geïsoleerd in hun eigen samenleving en waren vogelvrij verklaard.

Kempeitai dwong de indo’s te tekenen voor de kant van de Japanse bezetter. Wanneer hiervoor niet werd gekozen, volgde matertelingen, (van een pak slaag, een slag met de bamboe stok, dwangprostitutie, verdrinking, ophanging ed.) De Indo’s waren overgeleverd aan een rondrijdende pemuda’s en krijgsheren van het Indonesisch leger, Tentara Republiek Indonesia (TRI)

HK SKW Museum of Coastal Defence 1940s Japanese.JPG

Kempeitai (Uniform, afbeelding Links) Onder leiding van de Minister van Oorlog. Militaire politie in het Japans Keizerlijke Leger (1889-1945) en Inlichtingendienst. Opdracht Groot-Oost-Azië: etnische zuivering. Telde 36.000 manschappen. Methoden: Foltering, marteling, executies.

Minister van oorlog: General Hideki Tojo de dictator van Japan’   (Minister HidekiTojoColor.jpgvan Oorlog. Gaf leiding aan de Kempeitai. Verantwoordelijk: aanval Pearl Harbor. ‘De slachter’: verantwoordelijk, dood van miljoenen mensen, w.o. 4 miljoen Chinezen. Verantwoordelijk: bloedbad en hongersnood in de Japanse burgerkampen, Verantwoordelijk: voor de ‘medische experimenten’, doodvonnis 23 dec. 1948.

Van alle strijdende groeperingen waren de Pemuda’s het meest fanatiek en stond onder leiding van Soetomo. Daarnaast wilde Soekarno en Hatta, op een constructieve manier met steun van de Verenigde Naties voor de vrijheid van hun land strijden. Soekarno richtte  het Indonesisch leger, Tentara Republiek Indonesia (TRI)

 

Pemuda’s

De Pemuda’s  waren tot de tand toe gewapend met samoeraizwaarden (van de Jappen gepikt of gekregen) Klewangs, de indrukwekkende lange politiesabels, waar ze meestal het eerst naar grepen. Hun uitrusting werd gecomplementeerd door twee pistolen in holsters, een bajonet en een zonnebril. Sommigen hadden zelfs patroonbanden weten te bemachtigen. Die zij kruislings over de borst droegen. Zij reden rond in vrachtwagens, die zij van de Japanse troepen hadden geconfisqueerd. Trots en heerszuchtig schreeuwden zij uit alle macht om vrijheid, onafhankelijkheid: “Merdeka, Merdeka”! Het werd gevaarlijk buiten de kampen, dan werd je “getjingtjangt “(in stukjes gehakt) (Stouw-Lengkeek, 2012)

http://archief.gastdocenten.com/het-verhaal-van-hans-stoltenborg

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

De Indo’s kozen (terecht) voor hun eigen veiligheid, niet de kant van Indische-Nederlander, maar die van de Aziaten. In de hoop dat zij deze bezettingstijd overleefden. Voor deze keuze moesten zij een pedaftan aanvragen.

Een pendaftan werd afgegeven, wanneer was aangetoond dat in de familielijn Aziatisch bloed aanwezig was. Dit konden ze aantonen door documenten te tonen of hun ouders of grootouders mee te nemen naar het Japans bezet politiebureau voor registratie. Hiermee was hen verzekerd van een rol in het Groot-Oost-Azië. Wie geen pendaftan kon overhandigen, moest in geïnterneerd worden of geëlimineerd worden.

De Indo’s met een pendaftan werden niet geïnterneerd, maar bleven buiten de kampen. De buitenkampers hadden net zoals de geïnterneerde dagelijks te maken met geweld. Zij waren met de pendaftan in de hand vogelvrij verklaard. Volgens de Jong (1984-1986) waren Indonesiërs die ervan werden verdacht met de Nederlanders samen te werken, of behoorden tot groeperingen die het gezag van de Republiek aantastten (zoals de communisten), het slachtoffer van moordpartijen. De Jong spreekt in dit verband over enkele tienduizenden slachtoffers, alleen al op Java (De Jong, 1984 en 1985 en 1986)

Een buitenkamper, een Indo, ‘licht getint’,  J. (van der P) toen 16 jaar had met zijn schoolkameraad G. eveneens Indo en 16 jaar, afgesproken bij de brug in Bandoeng. Samen zouden ze op ‘gappen’ gaan. Kijken waar zij eten konden stelen, want ze hadden honger. Thuis was er niets. ‘Er was van alles, niets’.  Op de afgesproken tijd ziet hij zijn schoolkameraad en zwaait naar hem. G. zwaait terug en kijkt opzij naar de kerels op de fiets. Dit bleken twee Kempeitai’s te zijn. Zij stapten van hun fiets af. Waarop G. direct stopt en diep boog! G. kwam weer overeind en overhandigde zijn pendaftan aan de Kempeitai’s. Daar stonden de schoolkameraden 10 meter van elkaar verwijderd. Er tussen, van op de rug gezien een Kempetai. Toen zag J. dat de Kempeitai tussen hun in een snelle ruk zijn Klewangs (lange politiesabel) trok ver boven zijn hoofd hief en in éen klap ‘rolde het hoofd van G de brug over’. Doodsbleek dook J.  onder de struiken links van hem en heeft daar uit doodsangst de hele nacht doorgebracht. ‘Nog liever door een slang gebeten, dan “getjingtjangt” worden’.

Het lichaam van zijn schoolkameraad heeft hij de volgende dag niet op de brug gezien. Deze zal wel in de rivier beland zijn. Er waren daar zo vele lijken. Daarom stonk de stad zo. Maar de ratten en andere beesten, die hadden het goed, die hadden te eten!

J (van der P) verteld verder: ‘Er was van alles, niets’. De kleding die de buitenkampers aan hadden, was hun ‘kledingkast’. Meer was er niet. Door de honger, was iedereen sterk vermagerd en liep iedereen met een zelfgemaakt sisalkoord om de bast, om alles omhoog te houden. Scheren werd gedaan met een mes. Je moest er wel handig in zijn. Ontstekingen kon je je niet permitteren in de tropen. Het mes moest ook na elke handeling ergens afgespoeld worden. Het mes werd overal voor gebruikt, voor een vrucht die er toevallig nog hing. Voor het eraan spiesen van een slang of voor de eigen veiligheid. We verhandelden veel met kretek (sigaretten met kruidnagel)

Ria, een buitenkamper, was in het bezit van pendaftan (zie boven haar moeders pedaftan) Zij herinnert zich de eerste Japanse vliegtuigaanvallen, waarbij een keer een bioskoop geraakt werd. De ‘jap’ op de fiets met zijn opvallende lappen. Die zij op de buitenkant van hun pet hadden vastgezet ter bescherming tegen de tropenzon. Er werden razzia’s gehouden. Deze razzia’s vergrootten de gevoelens van angst en het besef dat het gevaar dichterbij kwam  (Reijerse-Moens, Indischhistorisch.nl)

Haar vader, Cornelis Moens, een onder-officier bij de KNIL, moest zich melden bij de gevangenis in Soerabaja. De Europese scholen moesten sluiten. Scholen die in Indonesisch lesgaven, mochten open blijven. In deze scholen werd ook Japans gegeven. Velen buitenkampers konden vanwege de sluiting van hun school of vanwege de enorme afstand niet naar school. Radio’s werden ingenomen. De moeder van Ria, Geertje Vos werd voor het hebben van een radio aanvankelijk gestraft voor anderhalf jaar celstraf. Later werd deze straf omgezet in 8 maanden cel in de Boeloe-gevangenis in Semarang.

Oma kwam uit Bandoeng gereisd om voor Ria en de anderen te zorgen. Ze aten van de door moeder Geertje eerder  ingeslagen rijst, bewaard in de aardewerken potten. Ook had zij een voorraad gedroogde groente en vlees aangelegd. De ‘kangkung’ Chinese kool stond vaak op het menu, omdat deze makkelijk te telen was. Ook bananen waren lang te koop. In de toko’s was voedsel te koop. Het buiten zijn was niet zonder gevaar. Het was namelijk verboden om aan Europeanen of daarop lijkend te verkopen. Door de verkoop van huisraad ‘rombengan’ of  kleding (voor zover deze er nog was), kwam men aan geld om voedsel te kopen. Zo maakte Geertje en Ria breiwerkjes die zij verkochten.  Wol echter was verboden en moeizaam te krijgen. Ook deden moeder Geertje en Ria aan  ‘gedekken’. Het over de scheidingsmuren gooien van goederen.

Op een dag poogde een ‘Jap’ bij hun naar binnen te gaan. Oma gooide hard een ijzeren stok tegen de deur. De  ‘Jap’ nam snel de benen. Geertje kreeg dysenterie en vroeg de bewaakster om rijst met rawit (pepertje) Na 3 dagen was zij aan de beterende hand. Na 8 maanden werd Geertje herenigd met haar kinderen.

Vader Cornelis Moens was tijdens oorlog overgebracht naar het Wihelminakamp te Singapore. In februari 1946 reisde het gezin naar Nederland (Reijerse-Moens, Indischhistorisch.nl)

In die verwerking van het Indische postkoloniale trauma past nu ook de film ‘Buitenkampers. Boekan main-Boekan main’ van Hetty Naaijkens-Retel Helmrich. Een lang verwachte aandacht voor de genegeerde en bijna onbekend gebleven groep landgenoten. Helaas moet tot nu toe en ondanks de heropening van Indische dossiers de afgelopen twintig jaar, worden vastgesteld dat het  “vergeten”  van de buitenkampers een constante is gebleven (Croix, de la,  www.indischhistorisch.nl)