Dwangprostitutie

Van geïnterneerde en buitenkampers (vrouwen en mannen)

Troostmeisjes of de Lola’s of ‘Jugan ianfu’. De 500.000 seksslavinnen en ook seksslaven (vrouwen én mannen) werden onder slecht ondenkbare omstandigheden tot seksueel verkeer met Japanse officieren en soldaten gedwongen. De bezoeken aan de meisjes werden per krijgseenheid vastgesteld. Hiervoor werd een betaling geregeld, dat opliep tot 609 gulden per dag, dat gestort werd op twee Japanse oorlogsbanken (Yokohama Specie Bank en bank of Tawain) De ‘troostmeisjes’ droegen zo financieel bij aan de Japanse oorlogsvoering. Het was voor het eerst in de krijgsgeschiedenis, dat een dergelijke overheidsorganisatie voor prostitutie voorkwam.

Vanaf de inval in China (1931) werden de ‘troostmeisjes’ in het spoor van het Japans leger en dus voor de Japanse marine naar alle veroverde gebieden in Zuidoost Azië gestuurd. Het was een vooropgezet plan. Er werd in kaart gebracht hoeveel vrouwen nodig waren (Molemans, 2020)

De “Comfort Houses “ hielden pas op te bestaan na de Japanse overgave in 1945. Iets minder dan 60 jaar na de capitulatie van Japan zou het ongekend dramatische effect van de gedwongen legerprostitutie voor de misbruikte vrouwen aan het licht komen. De jarenlange dagelijkse verkrachtingen blijken het leven van de vrouwen ook na de oorlog voortdurend te hebben beheerst en hen vaak geestelijk zwaar gehavend te hebben.

Het Tjidengkamp, dat van 1992 tot april 1945, onder leiding stond van de zeer correct optredende Japanse burger Kondo. Volgens Rinzema-Admiraal (1991) zou Kondo de werving van bordeelmeisjes in Tjideng hebben voorkomen. Door deze Japanse militairen, die op doortocht waren, dronken te voeren. Vervolgens heeft hij ze de poort uitgewerkt. Kondo werd om zijn humane houding gerespecteerd. Bij zijn vertrek als commandant bood hij de geïnterneerden een grammofoonplatenconcert van klassieke muziek aan. Dat door de vrouwen zeer gewaardeerd werd.  Na Kondo’s vertrek veranderde het kampregime echter drastisch. Zijn opvolger werd de wrede Japanse Kampcommandant Sonei Kenichi (Rinzema-Admiraal, 1991; zie ook kamp-Tjideng)

De geronselde ‘jugun ianfu’ vrouwen konden jonger zijn dan 15 niet ouder dan 25 jaar. Het liefst mooi! Een vriendin van mij was daar ook aan ontsnapt, omdat zij zich bij de selectie heel ziek voelde en dat ook zichtbaar was. Geen van ons vijven heeft deze wreedheid ook niet hoeven meemaken. Door de Japanse militairen werden zij uit de kampen en de kampongs gehaald. Werken met mooie voor uitzichten naar de legerbarakken gebracht. Ze kregen verwachting voor een betaalde huishoudelijke baan of  werk in de legerbarakken aan het werk gaan of  voedsel krijgen (Hamer-Monod de Froideville,  2013) Onder dwang weren de vrouwen meegenomen naar legerbarakken of kampen, om daar door vele mannen in een rij achter elkaar, de hele dag door seksueel te worden misbruikt.  De vrouwen waren voor leven getekend. Geestelijk diep gekwetst (Hamer-Monod de Froideville (2013)

Bij de Japanse staat, bleef enige blijk van spijt uit (Ruff O’Herne, 2011) Er zijn naar schatting 200.000 vrouwen die tijdens de oorlog in de Pacific als seksslavin werd gebruikt door het Japanse leger. Jeanne heeft  haar oorlogsverhaal beschreven (Ruff O’Herne, 2011) Toen zij 19 jaar was, werd zij weggehaald uit een interneringskamp in Nederlands Indië. Gebracht naar een van de Japanse legerbordelen. Daar werd zij gedurende drie maanden dag en nacht door vele mannen verkracht. Pas na 50 jaar toen zij in 1992 werd geconfronteerd met verhalen van systematisch verkrachte Bosnische vrouwen, dacht zij, dit moet stoppen!

Zij sloot zich aan bij de internationale vereniging, die opkomt voor de belangen van de voormalige troostmeisjes. Als eerste Europese vrouw maakt zij de zaak van Troostmeisjes wereldkundig. Dit deed zij in het Japanse “Diet” regeringsgebouw. In het bijzijn van de Japanse minister van Buitenlandse Zaken. Voor haar inzet werd zij op 20 september 2001 benoemd in de Orde van Oranje Nassau. Enkele Koreaanse vrouwen hadden ook het stilzwijgen doorbroken.

In 2007 beweerde nog de premier van Japan, Shinzo Abe nog, dat er onvoldoende bewijs was  (Radio Nederland Wereldomroep, 2007) In de Japanse schoolboeken werd deze prostitutie vermeld, echter werd “gedwongen” verwijderd. De indruk werd gewekt dat zij zich vrijwillig prostueerden. Vanuit de Aziatische landen, vooral Korea, volgde een gigantisch protest.

Een professor uit Japan (Chuo Universiteit) prof. Yoshiaki Yoshimi toonde echter aan dat dwangprostituee onomstotelijk bewezen was. De Japanse regering, premier Junichiro Koizumi, bood schriftelijk zijn excuus aan. Een compensatie blijft tot op heden uit. Volgens de Japanse Regering, was de oorlog immers eerder afgehandeld met het San Francisco Verdrag.

 

Smartengeld

In de jaren ’50 sloot Nederland een overeenkomst met Japan over de betaling van 38 miljoen gulden smartengeld. Alleen Nederlandse staatsburgers die konden aantonen dat zij in een Jappenkamp geïnterneerd waren, kreeg een ieder smartengeld van slechts 415 gulden. Voor gemiddeld drie jaren misbruik in oorlogstijd (138 gulden per jaar ofwel 2,65 per week) betekent dit dat er nog geen 0,40 cent smartengeld per dag werd uitgekeerd!

Japanse burgers betreurden de houding van hun regering zeer. In 1995 werd het Japanse Asian Women Fund (AWF) opgericht werd. Vanaf november 1998, is de voorzitter is M. Hamer-Monod de Froideville. Voor de slachtoffers, was het van grootbelang geweest, dat zij en kopie hebben kunnen ontvangen van de excuusbrief van premier Hashimoto aan onze premier Kok. Door deze brief voelde zij eindelijk een soort erkening. De ontvangst van deze brief heeft het voor hen makkelijker gemaakt om het projectgeld te aanvaarden (Hamer-Monod de Froideville,  2013) Volgens  Molemans (2020) werd het fonds in de eerste plaats opgericht met donaties van particulieren. De meeste vrouwen hebben echter nooit een cent gezien. Volgens Molemans (202o) was het fonds gewoon zwijggeld. Vandaar dat de vrouwen dit geld hadden geweigerd (Molemans, 2020)