Dwangarbeid

Dwangarbeid werd door de Japanse bezetter opgelegd, wanneer zij niet konden aantonen dat zij Aziatisch bloed hadden. Een grote groep hiervan vormde de romuscha’s, Javaanse dwangarbeiders, door Soekarno geronseld voor de Japanners. Duizenden romusha’s zijn in Birma (spoorweg), Borneo en in de mijnen van Japan omgekomen. Men schat dat er zo enkele miljoenen van deze romusha’s door uitputting, mishandeling en ziekte zijn gestorven. Velen, 90 % van de romusha’s heeft het niet overleefd.

 

De Neyama tunnel

De Neyama tunnel in oost Java, vlakbij Campurdarat, dienden voor transporten van goederen. Om deze tunnel te realiseren moesten de romusha’s door de Japanse bezetters, dagelijks grote hoeveelheden rots verwijderen met pikhouwelen. Het traject moest, zonder één bulldozer, dwars door de rotsen heen gehakt worden. Waarbij het vrijgekomen gesteente met enkel mankracht moest worden afgevoerd. Eenmaal buiten de tunnel moesten zij wegen aanleggen, dwars door de moerassen en jungles van Campurdarat.

 

Birama-spoorweg

Ook wel de dodenspoorlijn genoemd, werd in slechts 16 maanden aangelegd voor de transporten vanaf Bangkok (Thailand, in het zuiden) naar Moulmein (Burma, in het noorden) Het gehele traject van 415 kilometer lang. De dwangarbeid begon 6 maanden na de capitulatie, op 16 september 1942 en was voltooid in december 1943.

De Japanse ingenieurs hadden een tijdsberekening van 5 jaar. Door veel dwangarbeiders te gebruiken werd deze spoorlijn in een zeer korte tijd van slechts 16 maanden aangelegd.  De Japanners waren gericht op werving en vervanging van arbeidskrachten.

Oorlogsmisdaden, zoals het doorsteken van trommelvliezen, het onthouden van voedsel, slaan en doodtrappen waren dagelijkse voorvallen. Daarnaast ook biologische proeven op  dwangarbeiders.  ‘De Indonesische koelies die bijvoorbeeld aan cholera leden,  werden vaak in gemeenschappelijke pitgraven gedwongen en levend begraven’. (Waterfort, 2008)  Als na 15 augustus 1945 de eerste, vermagerde ex-krijgsgevangenen vrijgelaten worden uit hun kampen van Changi in Singapore, treffen de bevrijders romusha’s aan. Overal liggen al dan niet opgestapeld, de doden. Daartussen, in een ondraaglijke stank, de nog levenden, die niet meer de kracht hadden om op te staan. (Waterfort, 2008)

Na de bevrijding waren veel romusha’s op transport gezet. Het Rode Kruis organiseerde deze transporten. Het laatste transport was twee jaar na de oorlog, op juli 1947. Velen zijn echter nooit teruggekeerd. Zij zijn overleden, zoekgeraakt, nooit gevonden, vergeten en achtergebleven, vrijwillig of onvrijwillig. Voor zover zij nog wel leefden, wonen zij en hun nakomelingen nog steeds in de ruige binnenlanden van Borneo, Sumatra, Halmaheira en het vroegere Nieuw-Guinea. Ze hebben gezinnen gesticht op afgelegen eilanden als Guadalcanal of in de Andanam-archipel. Of ze zijn burgers geworden van landen in Indo-China (Touwen-Bouwsma, Groen, 1996)

Een ploeg van enkele tientallen, ex-krijgsgevangenen, die er wat beter aan toe waren, begonnen na de oorlog, met het geven van hulp. In de Nederlandse kampen (op etniciteit ingedeelde kampen, door de Japanners), waren nog enkele doctoren. Medische hulpmiddelen, waren in het bereik van Nederlanders, maar waren zeer schaars. De bevolking kwam op deze hulp af.

De aanvankelijk humanitair opgezette hulp werd al snel een van de middelen, waarmee Nederland poogde zijn kolonie in de Oost te behouden (Touwen-Bouwsma, Groen, 1996)

 

Pakan baroe spoorweg

Ofwel Sumatra-spoorweg genoemd, was ook een van de dodenspoorwegen. Deze spoorweg lag op Sumatra, van west naar oost. Van de stad Pakanbaroe naar Muro.  Het gehele traject startte september 1943 tot augustus 1945 en was 220 kilometer lang. Deze spoorweg moest aangelegd worden dwars door oerwoud, bergen en moerassen. Om rivieren heen. Boren van tunnels zou te veel tijd kosten. Slechts eenmaal werd deze spoorweg gebruikt voor het transport van kolen. Er werkten 50.000 dwangarbeiders aan deze spoorweg, waarvan 26.000 mensen omkwamen.

 

Tijdens de werkzaamheden aan de spoorweg Pakan baroe, waren velen gestorven door ziekte (slechte voeding, honger, tropische ziekte, dysenterie), ernstige mishandelingen en het zware werk. Romusha’s werden niet begraven, bleven zo liggen en werden door de beesten (leguanen) opgegeten. De sfeer in dit kamp werd met de dag grimmiger. Na november 1945 werden de laatste, nog rondzwervende romusha’s veelal aan hun lot overgelaten.

 

Torpedering van de Junyo Maro

De ramp met de Junyo Maro is nauwelijks bekend, terwijl deze ramp toch vele malen groter is als de ondergang van de Titanic. Van de 6500 Javaanse dwangarbeiders, kwamen 5620 om het leven bij de torpedering van dit schip. Deze dwangarbeiders, vooral Nederlandse krijgsgevangenen en romusha’s, werden gerekruteerd voor de bouw van de Pakan baroe spoorweg.

De Britse onderzeeër torpedeerde deze Junyo Maro die krijgsgevangenen vervoerde. Het schip was namelijk niet voorzien van het Rode Kruis embleem. Ook al voerden de schepen wel onder een Rode Kruis embleem, dan bleek dat circa 20 Japanse hospitaalschepen door de Amerikanen getorpedeerd werden. Tijdens deze aanval op de Junyo Marol, lagen 880  drenkelingen in zee. Slechts 13,5%, van de opvarenden wisten zij te redden (Velden, 1985)