Glodok-gevanigenis

Een gevangenis, die tijdens de Japanse bezetting in de periode 6 maart 1942-30 november 30 1943, werd gebruikt als internering(werk)kamp. Voor vooral Britse en Amerikaanse krijgsgevangen. Deze was gevestigd op Java, huidige stad Jakarta aan de Molenvliet-Oost/Gang Lindeteves in de wijk gelijknamige Chinese wijk.

Glodok was de oudste en meest vervuilde gevangenis van Batavia, het huidige Jakarta. In 1944 werden hier 350 jonge Indische-Nederlanders opgesloten die weigerden hardop hun loyaliteit uit te spreken met Japan. Van hen stierven er tientallen op gruwelijke wijze: ze werden onthoofd, doodgemarteld, ze verhongerden of stierven als gevolg van een tropische ziekte (De Waard, 2015)

De Glodok-gevangenis bestond uit een ommuurd terrein met een aantal barakken. Deze barakken stonden rond een binnenplaats, waarop in het midden een waterput. Naast enkele kleinere cellen was er een tiental grotere zalen, die ieder ongeveer vijftig geïnterneerden huisvestten (Java Post, 2013)

Per cel werd een voorman en een assistent-voorman gekozen die, in ruil voor hun verantwoordelijkheid, meer vrijheid (“vrij poepen en baaien”) en meer voedsel kregen.

Voormannen van de jongens uit Batavia waren onder anderen J.Ph. Bastiaans, F.C. Marks (die na enkele weken voorman kok werd), E. Soute, C. Stoop, E. Boekholt en J. Smits (Java Post, 2013)

Het hoofd van de gevangenis, Koyama Yoshizo, had bij zijn aanstelling in januari 1945 opdracht gekregen de geïnterneerde jongens als veroordeelden te behandelen. Toen hij liet weten het hier niet mee eens te zijn, kreeg hij te horen dat dit bevel niet kon worden veranderd, maar dat het hem vrij stond zijn  persoonlijke invloed aan te wenden om de toestand van de jongens draaglijker te maken. Na de oorlog verklaarde Koyama “dat hij niet wist, dat deze jongens in verband met hun weigering zich bij de Dahler-beweging aan te sluiten, waren opgesloten, en dat hem alleen was verteld dat zij uit veiligheidsoverwegingen gevangen waren gezet.” (Java Post, 2013)

De Temporaire Krijgsraad kwam in 1947 tot de conclusie dat Koyama zich daadwerkelijk had beijverd om de levensomstandigheden van de jongens te verbeteren. Hij werd dan ook vrijgesproken van het hem ten laste gelegde. Het zelfde oordeel werd uitgesproken in de zaak met betrekking tot de hoofdcipier, Bahadar Singh. Meer goeds valt er over het personeel van de gevangenis helaas niet te zeggen. De meeste cipiers waren nationalistisch gezinde Indonesiërs die de jongens regelmatig sloegen en sarden, en hen hard lieten werken. (Java Post, 2013)

De voeding in de gevangenis was slecht, maar niet slechter dan in vergelijkbare gevangenissen. De sterftecijfers waren echter wél uitzonderlijk hoog, voornamelijk door de slechte hygiëne en inadequate medische zorg. De jongens die leden aan hongeroedeem, dysenterie e.d., werden bij elkaar gelegd op een ziekenzaal waar een Indonesische verzorger de verkeerde methoden toepaste en waar de gevangenisarts, een zekere Moesa Sastranegara, de patiënten te laat doorstuurde naar het Tjipinang-ziekenhuis. In de gevangenis zelf stierven ongeveer vijf, in het ziekenhuis ongeveer 70 geïnterneerden (Java Post, 2013)

Een van de gevangen was Ted Plas (1927) In een interview met De Waard (2015) verteld hij: ‘Ze riepen de Indische Nederlanders op 11 september 1944 in een krantenadvertentie op zich te laten registreren voor de strijd. Slechts weinigen meldden zich.  Op 17 september werd daarom een razzia gehouden.

Om vier uur ‘s morgens werden Ted Plas en zijn een jaar jongere broer Otto van hun bed gelicht en meegenomen door een Japanner van de Kempeitai en enkele politiefunctionarissen van de PID (het politiekorps van de Indonesische nationalisten). ‘Iedereen die niet voor ons is, is tegen ons’, was de verklaring. Na een week in de politiecel te hebben gezeten, kwamen ze in Glodok terecht, één van de vier gevangenissen van Batavia (De Waard, 2015)

De waard (2015), beschrijft de gevangenis. De gevangenis was al in de tijd van Jan Pieterszoon Coen gebouwd in een van de onaangenaamste wijken van de stad vlak naast moerassen met miljarden muggen. De cellen binnen de 6 meter hoge muren waren kaal. Er waren geen kussens, matjes of muskietennetten. In iedere cel, bestemd voor twee personen, werden vier en soms vijf mannen opeengeperst. Iedereen moest slapen op harde houten banken, waarbij sommige gevangenen bij gebrek aan ruimte alleen op hun zij konden liggen. Het eten werd gedistribueerd door inlandse dieven, moordenaars en rampokkers die vaak onder de luizen en vlooien zaten en de beste porties voor zichzelf hielden. De gevangenen werkten in de verzengende hitte: als touwdraaiers, mattenvlechters of in de tuin. Geen zwaar werk, maar door de ondervoeding moeilijk vol te houden. Het enige eten bestond uit twee keer per dag wat rijst en stijfselpap van aardappelmeel dat ‘ongol ongol’ werd genoemd. De enige groente was een soep van de vitaminearme ‘kangkung’, Indonesische waterspinazie.

Om zeven uur ‘s morgens was het appèl, waarbij de gevangenen zich in de volgorde van de kamers moesten opstellen en met het gezicht in de richting van Japan ‘Nippon Banzai’ (Eer aan de Keizer) moesten roepen. Sommigen probeerden daar ‘Nippon Bangat’ van te maken, wat in het Indonesisch iets betekende als ‘Nippon Schurk’, maar dat kon niet te hard, want de bewakers waren Indonesiërs. Vervolgens dwongen de bewakers de gevangenen elke ochtend te exerceren yotskit (geef acht), yasme (op de plaats rust) en bakaré (ingerukt mars) en moesten ze gymnastiekoefeningen doen waarbij hardop van één tot acht moest worden meegeteld: iet, ni, san, si, go, rok, sie, hat. Straffen bestonden uit stokslagen en soms moesten gevangenen stokstijf stil staan, recht in de zon kijken en met gestrekte armen een maiskolf vasthouden. Wie met de ogen knipperde of de armen liet zakken, kreeg slaag (De Waard, 2015)

Plas’ broer Otto simuleerde te ziek te zijn om te werken en werd opgenomen in de ziekenboeg waar hij de rest van de gevangenistijd zou blijven. Nadeel was dat hij daar nog minder eten kreeg (diarreepatiënten kregen alleen thee) en geheel afhankelijk was van wat medegevangenen hem gaven. Daarnaast was de kans op het oplopen van cholera, tyfus en dysenterie in de ziekenboeg aanzienlijk groter. Wie echt wat opliep, werd naar de Tjipinang-gevangenis overgebracht de voorbode van een zekere dood. Maar ook in Glodok stierven gevangenen in de ziekenboeg. Plas: ‘In dat geval werden de tenen van het lijk samengebonden met een touwtje waaraan een kaartje hing met de naam erop. Het lijk werd weggedragen en de andere patiënten moesten groeten. De Japanners stonden op die vorm van beleefdheid.’ (De Waard, 2015)

De hoofdcipier was de goeiige Brits-Indiër Bahadar Singh. Hij moest echter de bevelen van de Japanners strikt naleven en had weinig controle over de sadistische Indonesische bewakers. Plas was ingedeeld in de touwslagerij waar gevangenen van hennep touw moesten zien te vlechten. Daarnaast moest hij dus eenmaal per week het ‘open’ riool schoon houden, een klusje van een half uur per keer. In het water trok hij zijn korte broek uit en duwde al zwemmend de massa uitwerpselen en andere smerigheid onder de muur door naar buiten. ‘Het kostte mij geweldig veel inspanning. Soms had ik helemaal geen lucht meer of raakte ik bijna bedwelmd door de enorme stank van de derrie.’ Er zwommen ook vissen in de vijver aan de andere kant van de muur. Hij stopte ze vervolgens in zijn mond en slikte ze, als een reiger, met kop en staart door. Plas: ‘Ik moest uitkijken voor de bewakers. Wat ik deed, kon mij mijn leven kosten.’ Terug in de gevangenis stonk Ted zo dat niemand naast hem wilde zitten. Ook verdwaalde katten werden opgegeten (De Waard, 2015)

Bevrijding
Op 27 augustus, drie weken na de atoombom op Japan, ging de gevangenispoort open. De gevangenen vrijwel allemaal scharminkels die soms nog maar 30 kilo wogen kregen een lapje ongebleekt katoen (kain bladjoe) waarmee ze hun naakte vel-over-beenlijven konden bedekken. Maar buiten stonden nu de aanhangers van Soekarno te wachten die hun eigen redenen hadden om met de (Indische) Nederlanders af te rekenen. De eerste gevangen die de deur uitliepen, kregen opnieuw klappen. Een van hen werd voor Plas’ ogen vermoord. Plas: ‘Zijn schreeuw hoor ik nog. Ik trok mij meteen terug in het donkerste hoekje van de gevangenis, waar niemand mij zou zien. Ik ben pas veel later stiekem ervandoor gaan.’ (De Waard, 2015)

De Waard (2015) beschrijft in het interview dat Ted Plas op zoek ging naar zijn  moeder, zus welke hij had gevonden. Ging vervolgens op zoek naar zijn oma, twee ooms, en drie tantes en de twee nichtjes en die bleken allemaal dood te zijn. Mogelijk gedood door de Pemuda’s. De onderneming was overgenomen. Toen Plas weer in Batavia kwam, waren zijn moeder, broer en zusje er niet meer (De Waard, 2015) Plas’ stiefvader werd als Nederlander (een totok) al snel geïnterneerd en zou de verschrikkingen van de bezetting ervaren. Plas: ‘Hij werd als hoofd aangesteld van een eenheid van honderd krijgsgevangenen die gezonken schepen uit het water moesten halen. Toen een aantal weigerde, werden er twaalf uitgekozen die op hun knieën moesten gaan zitten. Met een samoeraizwaard werden hun hoofden eraf gemaaid. Mijn stiefvader is dat trauma nooit meer te boven gekomen.’ (De Waard, 2015)

Hij probeerde in veiligheid te komen door in de haven van Batavia een boot te zoeken. Plas: ‘Ik zag een schip liggen met een rood-wit-blauwe vlag. Het was het m.s. Ophir, één van de boten van de Koninklijke Paketvaart Maatschappij. Ik strompelde de loopplank op. Een grote blonde kerel hield mij tegen. ‘Wat mot je hier?’, vroeg hij. Ik zei: ‘Mijnheer, ik zoek werk, alstublieft.’ Hij antwoordde: ‘Donder op, scharminkel, je kan niet eens op je poten staan. Na een tijdje smeken, ging de man overstag. ‘Meld je bij de djoero moedi (de bootsman).’ Ik werd aangenomen als matroos en heb tot mei 1946 gevaren (De Waard, 2015)

Maandenlang voer Plas over de Aziatische zeeën. In Singapore begon hij een studie algebra- en meetkunde. Uiteindelijk belandde hij in de haven van Madras in Brits-Indië. Hier kreeg hij het bericht dat de rest van zijn familie in Nederland was. Met het Belgische vrachtschip Empire Castle reisde hij naar België. In oktober 1946 kon Ted Plas zich herenigen met zijn familie in Den Haag. Plas maakte de hbs in Den Haag af en werd daarna opgeroepen voor de dienstplicht. Hij koos voor de marine, werd in 1950 adelborst in Den Helder en diende de rest van zijn leven bij de marine; hij zat drie jaar in Nieuw-Guinea. In 1977 ging hij als kapitein-luitenant-ter-zee met pensioen en verhuisde met zijn in Den Haag opgegroeide vrouw en zoon van Den Helder naar Beerta. Zijn dochter studeerde al in Den Haag. ‘ (De Waard, 2015)

Andere krijgsgevangen, werden diezelfde dag 27 augustus in vrachtwagens gehesen. Zij hadden niet de kracht om zelf op de vrachtauto te klimmen. Bij gebrek aan transport werd zelfs een begrafenisauto gebruikt. Hun botten waren bedekt met een schamel hemdje. Dat zij de gehele gevangenistijd bewaard hadden voor de “bevrijding”. Zij waren buiten de stad gebracht. Geen gejuich, maar stilte. Vrienden en familie wachtten hen met verbijstering in hun ogen op. Emotionele scènes. Mensen, die vroegen naar hun dierbaren met hoop en angst in hun stem en ogen. Dan een kreet “mamma” en een moeder kon haar zoon weer in de armen sluiten (Hermanus, 1999)

 

Kampcommandant Sonei

In deze gevangenis werd de beruchte kampcommandant Sonei gevangen gezet. Op  2 september 1946 werd hij door de Temporaire Krijgsraad te Batavia ter dood veroordeeld. Uitgevoerd op 7 september 1946 in de Glodok-gevangenis. Het lichaam van Sonei Kenichi werd bijgezet in de Jasukini-tempel in Tokio tussen de andere oorlogsmisdadigers, waar men hem tot op heden nog eerbetoon brengt.