Kamp Kareës

Ons eerste kamp Kareës (1943), lag in Bandoeng. Deze was ingericht door de ‘Jappen’ en vanaf 12 december 1942 gereed.

Plattengrond

Plattengrond Vrouwen Kamp Kareës (Bandoeng) (Liesker, Collectie)

Het kamp: Kareës, lag in een wijk van Bandoeng. De omheining werd geplaatst in de straten:  de Papandajalaan, Tangkoebanprahoelaan, Windoestraat, Gaoengoenlaan, Halimoenlaan, Malabarlaan-Oost,Wajanglaan en Boerangranlaan.

Het grootste verdriet was de onwetendheid. Hoe lang deze opsluiting ging duren. Of er hulp zou komen. Waar de mannen en jongens (vanaf 14 jaar) heen waren gebracht. Daarbij ook het leed. Hartverscheurende taferelen als er weer jongens, ouder dan 14 jaar, ruw bij hun moeder weggehaald werden. De onzekerheid of de moeders hun zonen nog terug zouden zien was onverdraaglijk. Wij waren dankbaar dat wij bij elkaar bleven, vijf zusjes en moeder. Onze vader Pierre was door de ‘Jap’ opgepakt en naar het mannenkamp in Buitenzorg gebracht.

 

Privacy
Voor de Nederlanders was het dicht bij elkaar leven, enorm moeilijk. De Aziatisch geïnterneerden waren dit gewend. Er waren verschillende kamers, wij hadden een kamer voor ons alleen. Daar lag een rijtje matrassen op de grond. Best comfortabel vergeleken bij de andere kampen, die nog zouden volgen. We kregen allemaal een registratienummer. In het begin konden er nog zaken gekocht worden. Zo kregen wij houten slippers, dan hoefden wij niet over het kokend hete asfalt te lopen met onze blote voeten.

Mensen die nog wat etenswaren hadden, maakten hiervoor een kookplek. Deze kookluchtjes trokken mij aan en ik kwam voorzichtig naderbij. De dochter van het Duits Joodse gezin gaf mij een harde klap. Ik vloog door die klap door de lucht. Een klein littekentje bij mijn linker wenkbrauw herinnert mij nog aan die val.  In het kamp, werden verjaardagen gevierd. Ik kreeg een pop van lappen, waar ik gek mee was. Leren mocht niet van de ‘Jap’. Dat moest dus stiekem gebeuren. Iemand op de uitkijk. Een beetje Frans en een beetje rekenen was alles wat ik alleen in dit kamp nog opgestoken heb.

Wennen aan de plek, een kamp kon niet. Er werd veel met de gevangenen gesold. Veelvuldig werden wij naar kleinere ruimtes verplaatst. Herschikking. De plaatsen van de overledenen moesten opgevuld worden.

 

Eten

Er was een gaarkeuken met grote tonnen waar een soep in gemaakt werd. Met van alles wat maar bruikbaar was. Slakken werden aanbevolen door de artsen, want die bevatten veel eiwitten. Ik zocht samen met andere kinderen slakken en kikkers in een rioolgangetje tussen de huizen Voor  10 cent werd een kikker voor je doodgeslagen. Aan de kikkers zat jammer genoeg nauwelijks vlees.

Er was voedsel, maar niet voldoende voor iedereen, met ondervoeding tot gevolg. We kregen voedsel dan ook op rantsoen,  50 gram rijst. En een snee van iets dat op brood leek, van tapiocameel gemaakt. Een beetje grijzig met in het midden meer wit, ongaar deeg. Ook kregen wij tapiocapap. Tapiocapap is hetzelfde als wat wij in Nederland kennen, namelijk behangplaksel. Het heeft geen smaak maar vulde enigszins de maag.

Kieskeurig als ik al was bleef dat “brood” bij mij wel enige tijd liggen. Moeder gebood de anderen dat te laten liggen. Lidy moest het zelf opeten! Dankzij moeder haar goede zorgen waren wij alle vijf gezond het kamp ingegaan. Dit heeft zeker geholpen tijdens de internering. Ook de ‘lijfomvang’ speelt een rol bij de internering. Hoe minder groot de buikomvang is, hoe minder de honger is. Mijn kleine maag en weinig honger heeft ook bijgedragen aan mijn overleving. Een snelle manier van voedselvermindering en onthouding kon eveneens fataal zijn. Er waren mensen die binnen drie maanden na de internering stierven. Ofwel door voedsel onthouding ofwel door hartfalen in verband met de stress.

Kleding

Het klimaat en het werk deed textiel gauw verteren. Onze kleding werd dan ook schaarser. De groter wordende meisjes behielpen zich met het ombinden van een theedoek. In mijn “vrije tijd” hield ik nog kleine kinderen bezig door ze verhalen te vertellen. Ik zat daarbij in een droge sloot.

Kleding werd geruild voor voedsel, gedekken.  Genoemd naar de omheining die eruit zag als een ‘dek’, van prikkeldraad en bamboe matten. Er werd ruilhandel gedreven met de bevolking buiten het kamp.  Een eendenei, herinner ik me, was een belangrijke vangst.

De houding van de buitenkampers,  verschilde. Zo ervaarde ik het uitjouwen van hun wanneer gevangen-transporten kwamen. Of werd er een voedselpakketje over het omheining gedek gegooid!

Corvee

De taken werden hiërarchisch verdeeld. De Wijk, bestond uit blokken, waar de huishoofden de taken verdeelden. Er waren taken, zoals de schoonmaak van openbare toiletten en latrines of  ophalen van huisvuil. Keukenwerk in de gaarkeuken. Dit had een goede kant de ‘ton van de soep uitlikken!’ In de gaarkeuken werden in grote tonnen soep gemaakt van wat groenten en soms stukjes pens. Moeder zat in het laatste kamp in de ploeg waar zij de pens schoon maakte. Er waren ook taken in de moestuin. Geïnterneerden moesten de varkens van de Japanners verzorgen en werken in hun moestuin. Kleding herstelwerkzaamheden of het maken van uniformpetjes. Sokken breien voor de ‘Jap’. Er werd gebreid met 4 bamboestokjes en de sokken hadden geen hielen. Dit was te warm in de tropenzon. De ‘Jap’ droeg de sokken namelijk in hun hoge zwarte laarzen. Dit werk kon je 1 ons goela jawah (suiker) of bonen opleveren. Ik heb het niet geleerd!

Als achtjarige moest ik samen met andere kinderen elke dag de straat schoonvegen, met een bezem over de stoffige asfalt. Er moest geveegd zijn vóór het appèl van 7 uur s ’morgens.

Mijn oudste zus, Trees toen 15 jaar, zat in de sjouwploeg. Zij moest zakken van 70 kilo met rijst en daarna met zout sjouwen. In de tropenzon, gutste de transpiratie over haar rug. Het zout in de sisalzakken beet op de al opengewreven  rug. Wie niet hard genoeg werkte of in elkaar zakte of ‘zonder reden’,  werd met een bamboestok door de ‘Jap’ geslagen.

 

Appèl

Om 7 uur in morgen was het appèl. Wij moesten in rijen van tien voor de huizen staan met ons gezicht richting Japan. Er werd geschreeuwd: Bij Jotskee, rechtop staan! Bij Kirei buigen! Niet té diep, want dan boog je voor de doden. En bij Norei mocht je weer recht staan! Dit was altijd een zeer angstig gebeuren. De moeders werden geslagen als er wat fout ging.