Kamp Tjideng

 Het laatste transport herinner ik mij het best. Het transport was vreselijk, staande op een vrachtwagen, tegen elkaar aangedrukt. Als vee. Moeder was erg ziek. Mij oudste zus Trees (nu 15 jaar) zorgde voor haar. We werden naar het kamp Tjideng gebracht (vanaf augustus 1944 tot 1945) Het kamp Tjideng bestond sinds oktober 1942 als interneringskamp.

Dit kamp was ook gevestigd in een wijk, net als Kareës, omheind met gedek (prikkeldraad en bamboe matten)

Poort van het Tjideng Kamp aan de verleende laan Triveli/Tjidengweg-West ( Collectie NOID ) Het regime in dit kamp was in deze latere periode Berucht van wege het grillige, wrede optreden van de algemenef kampcommandat, die hier in april 1944 zijn permanet verblijf vestigde. De buruchte Sonei Kenichi

Poort Kamp-Tjideng

Een wijk van Batavia Deze middenklasse huizen waren representatief voor de bebouwing van de wijk als geheel, Collectie SMG. Neergezet na de eerste wereldoorlog, voor kampong bewoners. De naam Tjideng is ontleend aan de rivier de Tjideng, die er langs loopt

Triveli/Tjidengweg-West

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Linksboven de Poort van het Kamp Tjideng. Dit kamp lag aan de verlengde laan Triveli/Tjidengweg-West (Foto, Kemperman, 2001) Deze wijk, vlak bij Bandoeng, bestond uit middenklasse huizen. Gebouwd rond 1920, voor kampong bewoners. De naam Tjideng is ontleend aan de rivier de Tjideng, die er langs loopt (Foto, Kemperman, 2001)

Vele mensen in een huis, die allen op één toilet moesten. Wij als gezin, kregen één vertrek met een klein keukentje. We hadden echter geen leidingwater. We boften, omdat wij bij elkaar waren en privacy hadden. Eenlingen en kleine gezinnen moesten een grote ruimte samen delen. Waardoor er vaak ruzie was. In het keukentje sliep Trees op de aanrecht en de rest van ons paste precies op de grond. Er was slechts 30 centimeter slaapplaats.

Het eten werd steeds schaarser. S ’morgens het bekende grijze plakje ‘brood’. S ’middags werd het eten uitgedeeld. Iedereen stond erom heen. Ieder een lepel rijst, elke korrel telt! Een eetlepel of eigen gebouwd weegschaaltje werd ook gebruikt. Door de vrouwen werd van alles meegenomen, om het eten op te halen. Een blikje is echter heel fraudegevoelig. De maat van de hoeveelheid is niet hetzelfde. Bij het stevig indrukken van de rijst, heb je meer. Bij het losjes er in doen van de rijst, krijg je te weinig.  Er werd soep gemaakt met veel water, soms wat pens met enkele sliertjes groenten. Bij het uitdelen goed roeren dus, om zo een ieder van wat sliertjes te voorzien. Een heel enkele keer kregen we één aardappel. Die werd  dan langzaam en voorzichtig met schil en al opgepeuzeld. We hadden honger. Als er een aap of welk dier dan ook binnenkwam, werd deze meteen gevangen en bereid.

Aan dit huis zat aan de buitenmuur een kraantje waar een klein straaltje warm water uitkwam. Het water was verwarmt door de tropenzon. De bacteriën waren volop aanwezig in het water. Maar we hadden dorst. Je kon daar  ook wat tapiocameel mee gaar roeren. Dromen over eten leek te helpen tegen het hongergevoel. Men ging over tot het schrijven van recepten. Het ene recept was nog lekkerder dan het andere. Die werden dan van elkaar overgeschreven. In het huis, werd gezocht naar alles wat bruikbaar was. Papier was er, al was het behang. De recepten, werden zeer klein geschreven om papier te besparen. De vrouwen hielden zich daar veel mee bezig.

Om aan eiwitten te komen werd urine ingezameld. Hieruit distilleerden we zoveel mogelijk nog nuttige stoffen voor de gistbereiding van het brood. Het residu werd gedroogd en vervolgens met wat water vermengt en aan de zieke gegeven. Door voedselgebrek kregen kinderen groeistoornissen en menstrueerden de vrouwen niet meer.

 

Kondo

Tot april 1944 stond het Tjidengkamp,  onder leiding van de zeer correct optredende Japanse burger Kondo. Volgens Rinzema-Admiraal (1991) zou Kondo de werving van bordeelmeisjes in Tjideng hebben weten te voorkomen. Door deze Japanse militairen, die op doortocht waren, dronken te voeren. Vervolgens heeft hij ze de poort uitgewerkt. Kondo werd om zijn humane houding gerespecteerd. Bij zijn vertrek als commandant bood hij de geïnterneerden een grammofoonplatenconcert met klassieke muziek aan. Dat door de vrouwen zeer gewaardeerd werd.

Na Kondo’s vertrek veranderde het kampregime echter drastisch. Zijn opvolger werd Sonei Kenichi (Rinzema-Admiraal, 1991)

 

Sonei Kenichi

Het regime in dit kamp was in deze latere periode berucht vanwege het grillige, wrede optreden van de algemene kampcommandant. De beruchte Sonei Kenichi. Die hier in april 1944 zijn permanent verblijf vestigde. Van de man werd gezegd dat hij maanziek was. Bij volle maan stond hij buiten en huilde hard! Wie hiervan getuigen was, ranselde hij genadeloos af.  Woede aanvallen, onvoorspelbare en redeloze wreed optreden, kenmerkte hem en vonden elke dag plaats. Er werd gesproken van manisch depressiviteit, met afwisselende perioden van overspannenheid (hallucinaties, aanvallen van waanzin) en melancholie (Kemperman, 2001) De gedragsuitingen, bleken haar  oorsprong te hebben in een beschadigd centraal zenuwstelsel als gevolg van een onbehandelde syfilis. Er was in het Tjidengkamp ook de Koreaanse bewaker Noda, die het regime van commandant Sonei nog enigszins trachtte te verzachten (Kemperman, 2001)

 

Het appèl Koempoel

In dit kamp was het appèl extra zwaar, twee maal per dag. Of er nu brandende zon was of stromende regen. Sonei liet het tellen graag heel lang duren. Als vrouwen niet op het appèl verschenen, werden ze door bewakers gezocht. Als straf kregen zij dwangarbeid.  Kaalgeschoren en toegetakeld verschenen de vrouwen weer op het volgende appèl. Als ze niet meer konden staan, moesten ze urenlang geknield zitten op het gloeiend hete asfalt (Rinzema-Admiraal, Win, 1999)

 

Straffen

Ook in dit kamp werd aan gedekken ruilhandel gedaan met de bevolking buiten de kampen. In dit kamp werd gedekken echter nog zwaarder gestraft. Ook voor de bevolking buiten de kampen was het een gevaarlijke bezigheid. Straffen hiervoor waren kaalscheren en in de brandende zon staan. Vanwege ruilhandel met inheemsen, werd tijdens een nachtelijke strafoefening door Sonei, onder het genot van een fles whisky, vijftig vrouwen met een tondeuse kaal geschoren (Dalhuijsen, van den Broek, 1998)

Door deze kampcommandant, werd naast individuele straffen ook collectieve straffen uitgedeeld. Iedereen kreeg drie dagen lang minder of geen eten. Ongeacht of er ook kinderen, ouderen, zieken of stervende waren. Extra appèls werden ingelast. Ook een hele dag op appèl in de zon staan. Bij zo’n appèl had ik moeite om te blijven staan in de hete zon.  Wanneer de ‘Jap’ er aan kwam, werd ik snel overeind gehesen en lieten zij mij weer zakken als hij gepasseerd was. Een extra appèl om 12 uur, kwam ook voor wanneer de zon op zijn hoogst stond. De moeders en oudere meisjes beschermden de kinderen voor de tropenzon. Door hun rok over de tere hoofden te doen en ze zo te behoeden voor oververhitting. Enkele kinderen bezweken en overleefden dit appél niet.

Moeder zorgde er zoveel mogelijk voor, dat als er bijvoorbeeld lijfstraffen uitgedeeld werden wij dit niet zagen. We hadden het niet zelf gezien, wel van anderen gehoord.

De kampcommandant Sonei werd eens razend, omdat de vrouwen die de broodkar duwden niet diep genoeg voor hem hadden gebogen. De broodkar met voedsel voor enkele dagen, werd door hem in een grote kuil omgekiept en bedolven door zand. Waarna de vrouwen trappen na kregen. Vervolgens liep hij naar de gaarkeuken en gooide als een waanzinnige alle etensdrums om. Trapte de vuren uit. In de avond probeerde een jongen voor zijn moeder wat brood op te graven. De jongen werd  doodgeschoten. We hadden dagenlang geen eten. Een keer werd de broodkar op de Tjidengbrug omgekiept in de inmiddels zwaar vervuilde Tjidengrivier.

 

Herschikking

Vele huizen waren onbewoond, door sterfte. Herschikking was noodzakelijk om meer toezicht te kunnen houden. Het werd ook ingezet als strafmaatregel. Volgens de Japanse Kampcommandant was dit noodzakelijk voor onze veiligheid (Chagoll, 1981) Straten vielen nu buiten het Tjidengkamp. Het inkrimpen brengt “verhuizen” met zich mee. Waar wij geen energie meer voor hadden. Weer tussen vreemde mensen gestopt, opnieuw moeten aanpassen. Bij elke verhuizing werd de bagage onderzocht en spullen afgepakt. Het al zo karig bezit werd kleiner en kleiner.

In het begin, eind oktober 1944, was het aantal geïnterneerden in Si Rengo Rengo ongeveer 1.400. In december 1944 kwamen hier bijna 400 jongens van tien jaar en ouder bij, afkomstig uit de vrouwenkampen van Noord- en Oost-Sumatra. Het aantal geïnterneerden bereikte de grootste omvang in mei 1945, namelijk bijna 2.000 personen. Dit was echter nog een bescheiden aantal, vergeleken met het aantal geïnterneerden dat tegen het einde van de oorlog in Tjideng gevangen zat, namelijk 10.000 personen. In de aanvangsperiode van Tjideng, eind 1942, woonden er nog 2.500 vrouwen en kinderen. Het leven in de wijk Wastoen was nog draaglijk, maar dit zou met het toenemen van het aantal inwoners snel veranderen.

Eind augustus 1943 werden alle geïnterneerden van de eveneens in Batavia gelegen Kramatwijk naar Tjideng overgebracht, zodat het inwonertal plotseling verdubbelde. In 1944 en 1945 werden voortdurend nieuwe groepen geïnterneerden van elders op Java aangevoerd, maar er vertrokken ook groepen (Kemperman, pag, 31, 2001)

De schrijfster Lydia Chagoll, toen nog een kind, werd in augustus ’43 van Tjideng overgeplaatst naar een ander vrouwenkamp en kwam een jaar later (in augustus ’44) weer terug: ‘Tjideng was veranderd’, ‘Kleiner dan vroeger. Overbevolkt. […] Een zwijnenstal, een geweldige keet, een onmetelijk, chaotisch pakhuis.’ (Kemperman, 2001; Chagoll, 1981)

Tegen het einde van de oorlog was het inwonertal van Tjideng, opgelopen tot meer dan 10.000, terwijl de oppervlakte van dit kamp in de loop van de tijd steeds kleiner werd gemaakt. (Kemperman, 2001)

 

Hygiëne

Wc’s raakten verstopt. Beerputten moesten worden leeggeschept. Dit drek werd in de greppels rondom de huizen geloosd. Deze greppels waren oorspronkelijk bedoeld voor de opvang van  regenwater en de afvoer naar ondiepe sloten langs de straat. De drek lag nu in de greppels. In het hele kamp hing een enorme rioolstank. Ook ver buiten het kamp, was dit te ruiken! Als kind rook ik het zelf niet meer. Er waren veel besmettelijke ziekten, zoals dysenterie, kinkhoest, malaria en oogziekten. Malaria uitte zich op verschillende manieren. Het is een uitdrogingsziekte en kan hoge koorts veroorzaken. Veel kleine kinderen stierven er aan (Rinzema-Admiraal, Win, 1999)

‘Ratten en muizen kwamen in het kamp niet voor. Voor hen was er niets te vinden’. (Memoires van A.H. Wicherts, kampgenoot van Pierre Schrijnen, Soekaboemi-Kedoeng Badak en Tjimahi’ vanaf 1941) Voedsel en medicijnen van het Rode Kruis werden immers door de Jap achtergehouden, die geheel of voor een groot deel aan hen zelf besteed werd. Trees heeft ook in de ploeg gezeten die doodskisten maakte. Het hout was al lang op. Er werd met bamboe matjes gewerkt. Dit bleek niet sterk genoeg en liet het vocht door van oedeempatiënten. Het hongeroedeem veroorzaakt blijvende schade aan maag en darmen. Buiken vullen zich met vocht. Als we op onze huid drukten bleef er een putje staan. Sommige vrouwen werden hysterisch. Ons  huishoofd  ‘hielp’ dan. Het hoofd werd onderwater gehouden tot men kalmeerde. Door de wrede mishandelingen van de kampcommandant Sonei, stierven er nu circa elf mensen per dag.

 

Leed

Leren en lesgeven werd niet volgehouden, wanneer het hongeroedeem erger werd. Moeder bleef het doen, zolang zij daartoe in staat was. We werden door de jongens Movig daarom de “blauwe meisjes genoemd”. Van lieverlee werden wij ook ziek en lagen allemaal op verschillende ziekenafdelingen. Behalve Trees die nog overeind bleef.  Ik kwam terecht in een garage, die gebruikt werd om jonge ernstig zieke kinderen te verplegen. Overdag werd ik naar buiten gebracht. Zat ik daar met als enige beweging, het verleggen van kiezelsteentjes. Van een baby naast mij werden de billetjes dichtgeplakt. De diarree liep er te hard uit en dit was een  methode om niet uit te drogen. Het heeft bij dit baby’tje niet mogen baten, het kindje was niet meer te redden. Een meisje naast mij was erg ziek. Zij had een balletje vlees gekregen, maar kon dat niet meer eten. Zij gaf het mij. De volgende morgen was zij overleden.

Kamp Tjideng (foto, Java Post, 4 dec. 2013)

Voor Trees was het zwaar. Ze bleef op de been. Zij had zich een baantje in de keuken bemachtig, zodat ze eten kon gappen voor de anderen van ons. Trees had ‘kongsi’, connecties en een netwerk opgebouwd. De ‘Einzelgangers’ hadden ongetwijfeld minder overlevingskansen.

Met haar 16 jaar stond zij er alleen voor. Zij zorgde voor haar zieke  Moeder en probeerde haar in leven te houden. Daarbij had ze nog de verantwoordelijkheid en zorg voor haar zusjes! Moeder, die ons in dit beruchte kamp Tjideng zo lang in leven wist te houden, had nu zelf een ernstige graad hongeroedeem. Als het vocht de hartstreek bereikt, is er geen redden meer aan. Buiten het kamp waren de medicijnen van het Rode Kruis, die haar hadden kunnen helpen. Maar het was niet de bedoeling van de Jap dat wij in leven gehouden zouden worden.

Uit een brief van Trees aan haar vader na de bevrijding.

Lieve pappie,

Ik heb uw brief gekregen. Ik ben er erg blij mee en zal hem goed bewaren. Toen mammie in april hier in Tjideng kwam, heeft ze ameube gekregen en daarna oedeem. Wat is dat toch een afschuwelijke ziekte, hè pap. Ze werd iedere dag slapper en had minder eetlust. Toen is ze bij de ziekenafdeling opgenomen. En toen zag ik het wel aankomen. Toen mammie daar een week of drie gelegen had, is ze plotseling binnen vier dagen tijds zo erg afgetakeld, nou dat was erg. Maar ze heeft niet geleden hoor. Want de laatste dagen was ze zo moe, dat ze bijna niet sprak, en bijna apathisch was.

S’ochtends heeft de zuster toegestaan, dat ik de kleintjes bij haar bracht. Ze heeft ze herkend en was blij, dat ze het goed maakten. S’middags werd ze plotseling veel minder en zijn Wies en ik geroepen (Nel was er al) Mammie heeft ons nog alle drie herkend en gegroet. Het enigste, wat ze nog gezegd heeft, toen we er waren, was: “Ik ben volkomen bereid. Ik ben volkomen klaar”. En dat heeft mammie tot vier maal toe herhaald. Toen zijn we bij haar gebleven tot een uur toe. Ze is niet meer bij bewustzijn geweest, en om een uur stond het hart stil van onze mammie. Dus ze is ingeslapen, zo bereid en vol overgave, en zonder pijn.
Weet u, paps, ik zou het liefst direct met u naar de onderneming gaan. Ik heb doorgewerkt tot begin vierde. De rest doe ik wel met bijlessen, want wat doet u daar nou alleen op de onderneming? Nel zit begin eerste, ze is echt geschikt voor verpleegster, dat zeggen alle zusters. Want Nel heeft in Karees als verpleegster gewerkt, en in Grogol was ze al leerling-verpleegster. En eigenlijk moest je daar boven de achttien voor zijn .Wiesje zit in de eerste HBS. Lydie heeft niet veel gewerkt, maar ze zit al eind of begin vijfde klas lagere school en Claartje in de derde. Wij krijgen nu vlees! Soms denk ik wel eens, was dat maar eerder gekomen, dan was mammie gespaard gebleven, maar zo heeft het moeten zijn. Ik zal later erg mijn best doen om de plaats van mammie tegenover de kleintjes in te nemen. U hebt nu een flinke dochter gekregen, paps, al heb ik gebreken, maar een, die al haar best zal doen om u te helpen, waarmee dan ook.

U steeds liefhebbende oudste dochtertje, Treesje

 Later vroeg mijn vader zich af: “Hoe krijg ik het kind weer, in deze volwassene?”

Trees (nu 17 jr.) haalde ons uit de verschillende ziekenboegen om afscheid van moeder te nemen. Moeder stierf kalm en vredig op 18 augustus 1945 (47 jr.) Vlak voordat de kampen open gingen. Wij weten niet waar zij begraven is. Bij de gravenstichting is zij geregistreerd bij de anderen waarvan het graf onbekend is. Het drong bij mij niet allemaal door. Te apathisch door het hongeroedeem. Vreugde noch verdriet drongen tot je hersens door. Doodgaan van mensen om je heen was normaal  geworden.

Toen de geallieerden in september 1945 in Batavia aan land gingen, was Luitenant-Kolonel Nicholai Read-Collins belast met de voedselvoorziening van de kampen. Hij bezocht onder meer het Tjidengkamp. Zijn getuigenis voor het Tokyo War Crimes Tribunal luidde: “Mijn eerste indruk was die van iemand, die op een andere planeet terecht was gekomen, en die moest praten met mensen die dood waren. Ik had het gevoel, dat dit geen normale mensen waren en dat hun reacties niet overeenkwamen met wat je kunt verwachten van volwassen mensen.” (Stichting Japanse ereschuld 2005) Sonei, de berucht kampcommandant vertrok in juni 1945, liet de Koreaanse bewaker Noda zich ontvallen: boesoek, betoel! (werkelijk bedorven) (Kemperman, pag. 35, 2001)