Pierre & Matthieu

Matthieu Kerbosch (Venlo 1880- Soest 1972), kwam uit een katholiek middenstand gezin. Zijn ouders hadden een winkel in huishoudelijke artikelen in Venlo. Met financiële hulp van de Denis Schrijnen (apotheker te Venlo, neef van mijn vader) studeerde Matthieu in Utrecht voor Artsenijbereidkunde en Apotheker-assistent. Waarna hij een universitaire studie farmacie volgde en afrondde. In 1910, promoveerde hij vervolgens op het onderwerp Opium in Leiden. In Leiden ontmoette hij Dina (Marie) Spiegel (1885-1942) eveneens afgestudeerd in de farmacie. Zij huwden in 1912. Kerbosch reisde af naar de Preanger, West Java. Waar Kerbosch hoofd-administrateur van de Kina- en theeplantage te Tjiniroean, West Java werd. Na een jaar reisde ook zijn vrouw Dina Spiegel af naar Indië.

Het Kinaboom-zaad kwam uit Peru. Daar ontdekte men dat het water van de kinebast (Cinchona) hielp tegen malaria en tropenkoortsen.

Tropische cultures, kinabouw. Indonesië (voorheen Nederlands-Indië), Java: Een vrouw aan het werk op de kweekbedden voor de Kinaboom [Kinaonderneming

Tropische cultures, kinabouw. Indonesië (voorheen Nederlands-Indië), Java: Een vrouw aan het werk op de kweekbedden voor de Kinaboom [Kinaonderneming “Sjiagiri”?]. 1880-1910.

 

Niet alle soorten kina (Cinchona) bevatten evenveel van de werkzame stof. Nederland probeerde op Java Cinchona calisaya te laten groeien, terwijl de Britten in India probeerden om Cinchona succiruba te cultiveren. In beide soorten bleek de concentratie van het werkzame bestanddeel te laag om de winning economisch rendabel te maken. De bast van Cinchona ledgeriana bevat evenwel gemiddeld 13 procent kinine.

Na het mislukte experiment met de Cinchona calisaya werd de soort Cinchona ledgeriana door de Nederlanders op Javaanse plantages geteeld, met name op te Tjiniroean. Deze kina werd van wereldwijd van groot belang in de strijd tegen malaria en tropenkoortsen.

De kinine werd op de onderneming van Matthieu Kerbosch gekweekt en geëxporteerd naar Nederland. In het Kinabureau te Amsterdam, werd uiteindelijk de prijs vastgesteld. Daarmee was sprake van een Nederlands-Indische handelsmonopolie op geneesmiddelen tegen malaria.

In de discussie over de productie verhoging en de prijsindex, werd door het Kinabureau gepleit voor een hogere productie voor een lagere prijs. Kerbosch betoogde dat de geëiste hogere productie nooit effectief zou kunnen worden afgezet, zolang nationale regeringen hun infrastructuur niet op orde hadden voor de verspreiding van de kinine (‘kininisatie) onder de bevolking  (Het Kina-vraagstuk, 1931) Na zijn ambtsperiode keerde Matthieu Kerbosch terug naar Nederland.

Door de Japanse bezetter werden kinaplantages overgenomen. Er was nu een noodzaak voor het ontwikkelen van malaria pillen. Deze had in plaats van alkaloïden, nu de stof atebrine.  Tijdens de oorlog in Azië moesten Amerikaanse soldaten deze verplicht slikken. De pillen werden steeds effectiever. Van de kinaplantages op Java is er dan ook geen spoor meer over. ‘Voor de Nederlanders was kinine een soort goud dat aan de bomen hing’, zegt Gerrets (Antropolog, UvA) Maar nu is er met kinabomen nauwelijks nog geld te verdienen’ (Rijnvis, 2016)

Terugkerend van een van zijn verlofreizen naar Nederland, nam Matthieu Kerbosch mijn vader Pierre Schijnen mee.

De cinchona pubescens var succirubra

De cinchona pubescens var succirubra