Ondernemen in Nederlands-Indië

De VOC werd vanwege haar faillissement in 1795 overgenomen door de Nederlandse Staat. Hiermee werden ook de VOC-gebieden overgenomen, inclusief hun nederzettingen. In deze nederzettingen hadden de  Nederlanders een netwerk aan factorijen.

Het bestuur van de VOC, was vooral gevestigd op Java en enkele eilanden in de Molukken. Verder waren in de archipel nog enkele diverse nederzettingen, factorijen  en forten. Op Borneo en Nieuw-Guinea was de Nederlandse aanwezigheid begin 19e eeuw nihil.

De Nederlands Staat veranderde bij overname van deze gebieden, de bestuurlijke structuur en  daarmee ook de gezagvoering in de nederzettingen en factorijen.  Pas in de 19e en 20e eeuw is sprake van Nederlands Indische Gouvernement welke concreet bestuurlijk gezag uitoefende. Ook werden steeds meer bestuurlijke organisaties van Nederlands-Indië geleidelijk uitgebreid.

 

Raden-structuur (Regentschapsraad, Raad voor het gewest)

De Raad van Indië (1609-1942) was een centraal orgaan van het Nederlands koloniaal bestuur in Azië. De Raad van Indië was een adviescollege van de Gouverneur-Generaal. Deze stond onder leiding van de regering. De Raad van Indië bracht advies uit over economisch en financiële zaken en over benoemingen (van ambtenaren en ook predikanten) Enige tijd (1818 na het faillissement van de VOC werd de bevoegdheid van de Raad van Indië steeds meer ingeperkt. De ambtenaren waren nu direct in dienst van de Bataafse Republiek en daarna van het Koninkrijk Holland. Bij de stichting van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden was de Raad van Indië nog slechts een onafhankelijk adviesorgaan van de Gouverneur-Generaal.

Bij de bestuurshervormingen van 1836, nu de Raad van Nederlands-Indië, kreeg deze raad meer bevoegdheden. De Raad van Indië, kreeg in 1905 vastgelegd bij wet, in hun gewesten of gedeelten van gewesten, de verantwoordelijkheid over het beheer van de geldmiddelen van de betreffende gewesten. De raadsleden werden, nu in 1905, gekozen uit drie bevolkingsgroepen: Nederlanders, inheemsen en uitheemsen. Mits deze in voldoende aantallen aanwezig waren in het betreffende gewest. De Regentschapsraad. De Kabupat (Regent) was voorzitter en werd door de inheemse bevolking zoveel mogelijk gekozen uit de adellijke inheemse families.  De regent stelde een patih (Stadhouder) aan, als plaatvervanger.

Naast een raad voor het gewest, werd ook een raad voor de afdelingen Kota ingesteld (vgl. met de gemeenteraad) De Gouverneur-Generaal in samenwerking met de Volksraad, had een  uitvoeringsbevoegdheid van de wettelijke bepalingen, het voeren van het opperbevel over de in Nederlands-Indië aanwezige land- en zeemacht,  de benoeming, schorsing of te ontslaan van de burgemeester, ambtenaren en predikanten. Bij ingang van de hervormingswet (1922) werd tot slot een provincieraad ingesteld, voor de nog te vormen provincies.

Nadat in 1925 echter de gekozen Volksraad was opgericht, verloor de Raad van Indië alle invloed. Tot de Japanse bezetting in 1942 voorgoed een eind maakte aan deze raad.

In 1938 werd door het hoogst bestuurlijk niveau, de Indische Regering, besloten voor de opdeling van de buitengewesten, in drie Gouvernementen: Groote Oost, Borneo, Sumatra. Daarentegen werd Java opgedeeld in drie provinsi (provincies): West-Java, Midden -Java en Oost-Java. Op Java kende nu twee Gouvernementen: Jokjakarta en Soerakarta.

Elk van deze Gouvernementen of provincies had een Gouverneur als hoogst bestuurlijk ambtenaar. Het bestuurlijk niveau, onder de gouverneur, werd ingedeeld in het Europees en Inlands bestuur. De inrichting van dat bestuur verschilde per omvang van het gebied en of het een direct of indirect bestuurd gebied was.

Een indirect bestuurd gebied, waren de gebieden die een grotere autonomie met een eigen zelfbestuur hadden. Deze vorm is op Java terug te vinden met zijn vorstendom Jogkakarta en Soerakarta. De staatrechtelijke verhouding van de Indische Regering met het indirect bestuur, is per gebied vast gelegd in politieke contracten.

 Bestuurlijke functie indeling in Indië 

Bestuurslagen van hoog naar laag Functienaam hoogste gezagdrager Soort bestuur
Provincie/Gouvernement Gouverneur Europees Bestuur
Residentie (Afdeling) Resident
Regentschap Regent Inlands Bestuur
Kelurahan (Wijken/District) Wedana
 Kecamatan (Onderdistrict) Assistent-wedana of camat
Desa (dorp) Desahoofd

 

Gouverneur op Java

Vooral op Java vestigden zich Nederlanders vanwege het relatief milde landklimaat. Hierin wordt dan ook dieper ingegaan op de bestuur op Java. Het Europees bestuur werd in 1931 geleid door de Gouverneur-generaal: jhr. Bonifacius C. de Jonge (1931-1936. Laatste was Gouverneur-Generaal,  jhr. Alidius W. L. Tjarda van Starkenborgh Stachouwer (1936-1942) Waarna de Luitenant-Gouverneur-Generaal: Huberts van Mook (1842-1948) De hoge commissarissen: Louis Beel (1948-1949) en Antonius H. J. Lovink (1949).

 

Onderneming (Factorij)

Bij de overname van de VOC-gebieden door de Nederlandse Staat, namen zij niet de factorijen over. De factorijen stonden ten tijde van de VOC, onder leiding van de Nederlandse Handelsmaatschappij welke in Nederland gevestigd was. Het bestuur werd gevormd door een  uitgezonden, uit Nederland, opperhoofd of factoor (directeur, commandeur of gouverneur)

De factoor, werd na het faillissement van de VOC een onderneming genoemd. De ambtenaar van de onderneming werd aangesteld door de Nederlandse handelsmaatschappij. De ambtenaar op de onderneming was bevoegd om agentschappen op te richten en werknemers aan te stellen of deze te ontslaan. Zorgde ook voor de inkoop, verkoop en ruilhandel. In de ondernemingen werden de producten voor verzending gereed gemaakt. Gewogen en verpakt.

De ondernemingen varieerde in grootte. De factorijen bestonden voorheen uit vele soorten gebouwen, o.m. woningen voor de medewerkers, pakhuizen, hoofdkantoor en soms een kerk. Na het faillissement van de VOC, waren de garnizoen- en handelsposten verdwenen en behoorde de kerk en scholen bij de Desa.  De ondernemingen bestonden uit woningen voor het personeel van de onderneming (directeur van de onderneming, werknemers, huishoudelijk personeel) en de fabriek (thee-, rubber-, koffie- onderneming) Soms ook een onderwijsgebouw om onderwijs te geven aan hun eigen kinderen en werknemers: het personeel en hun kinderen.

 

De (ambtenaar) ondernemer, pachter

Vooral tijdens de crisisjaren in de ’30  jaren kon werk gevonden in de Oost Indië. Er kwamen functie zoals bij het Koninklijk Nederlands-Indisch Leger (KNIL) Ook functies zoals  ontginningsemployee en de functie voor ambtenaren. Een ondernemingen werd geleid door een ambtenaar. In dienst van de Nederlandse Handelsmaatschappij. De (ambtenaar) directeur van de onderneming, was een pachter. Van hun verdiensten, af te dragen aan de Nederlandse Handelsmaatschappij, werd pachthuur van onderneming en het daarbij hoorde perceel, afgetrokken. Naast pachthuur, waren er onder meer bedrijfsonkosten (o.m. werknemers, faciliteiten, voor zover deze aanwezig waren, inkoop van zaden, machines ed.) en huishoudelijk personeel. De rest van het loon, ging naar de kosten voor persoonlijk onderhoud (o.m. voeding, kleding, vervoer en huishoudelijk personeel) Hoe meer de pachter van de onderneming transporteerde aan de Nederlandse Handelsmaatschappij en deze maatschappij hiervoor een ‘redelijke prijs’ berekende, hoe hoger de pachter een loon had voor zijn gezin.

 

Indië en de oorlogsreden van Japan

Nederlands-Indië beschreven door Luitenant-Generaal Reiichi Tada. Hij was in 1943,  doctor in de Technische Wetenschappen van het Keizerlijke Japanse leger.

De manier waarop de Nederlanders Nederlands-Indië exploiteerden was buitengewoon handig. Hun wetenschappelijke en technische vaardigheden waren ten dienste van communicatie, publieke werken en hygiëne. In het bijzonder hun wetenschappelijk opgezette irrigatiesysteem tot vrij hoog in de bergen, waren er op berekend dat Indië zelfvoorzienend zou zijn in haar rijstproductie. Gezegend met een gunstig klimaat en daaraan toegevoegd zulke hoog wetenschappelijke bekwaamheden, kende Nederlands-Indië geen problemen op het gebied van voedsel en huisvesting.

    De inheemsen brengen hun dagen gelukkig door onder Nederlandse leiding. Java, kleiner dan Japan maar ook zeer bergrijk, herbergt een bevolking van vijftig miljoen zielen. De Nederlanders zorgden opmerkelijk goed voor de Indonesische volkeren. Zestig miljoen inheemsen werden geleid door slechts tweehonderdduizend Nederlanders, dat wil zeggen: 300 inheemsen ten opzichte van 1 Nederlander. Dit is geen gewoon bestuur. De Nederlanders zijn hier vóór de inheemsen; zij zorgden voor zelfvoorziening zodat het hun aan niets ontbrak. Met behulp van hun eerste klas wetenschappelijke kennis, hebben ze Nederlands-Indië ontwikkeld, het welzijn van de bevolking bevorderd en ze voorzien van eten, kleding en onderdak. Het resultaat is dat dit gebied paradijselijk genoemd mag worden, bij een bevolkingsdichtheid die tot de top van de wereld behoort” (Rapport, Tada, 1943)

Uit het Nationaal rapport van Nederlands-Indië (1937) bleek dat Argentinië toen het meest welvarend land was, waarna Nederlands-Indië. Het niveau van de infrastructuur op het gebied van de havens, vliegvelden, (spoor)wegen was hoog te noemen. Vooral de haven van Soerabaja. Verder bleek dat bij de spoorwegen (aanleg en onderhoud) en in de factorijen/ondernemingen die landbouwproducten exporteerden, alle functies werden vervuld door de inlanders (Scudamore, 1981) Geconstateerd werd dat een eindeloze rij factorijen, allemaal eigendom waren van de Javanen en Chinezen. Vooral in Djokja was een ongekend groot industriecomplex (Scudamore, 1981)

Onder meer was er een groot exportmarkt van de Singer naaimachines in Indië. Nederlands-Indië was de grootste exportmarkt van de Amerikaanse automobiel-industrie. (Nationaal rapport van Nederlands-Indië, 1937). Er was volgens Scudamore (1981) sprake van een uitzonderlijke kwaliteit rijst, thee, koffie en tabak in Indië. Dit als gevolg van de superieure landbouwtechniek van de Nederlanders. Indië de grootste hospitalen, de gunstigste woonomstandigheden, de beste sociale en hygiënische voorzieningen van alle koloniën (Scudamore, 1981)

Zo kan geconcludeerd worden dat de Nederlanders de kennis meebrachten over in ieder geval hygiëne, de landbouwtechnieken en over de infrastructuur ten behoeve van de landbouwproductie van o.m. rijst, thee, koffie en tabak. De landbouwfabrieken op de factorijen werden vooral gerund door Javanen en Chinezen. De ethische Nederlandse politiek uit de jaren 30, waar het ging om de economische verzelfstandiging van de Nederlandse kolonie te bevorderen, blijkt uit het voorgaande toch zijn vruchten af geworpen te hebben.

De Nederlanders namen ook arbeidsvoorwaardelijke kennis mee. De lonen waren op Java en Noord Sumatra drie maal zo hoog dan waar ook in Azië, zodat er zelfs gespaard kon worden (Money, 1861) Ook waren er secundaire arbeidsvoorwaarden geregeld. Zo konden de burgers vrij wonen en kregen daarbij recht op een flinke tuin voor verbouw van voedsel voor eigen gebruik. Daarnaast kregen zij gratis bibliotheekbezoek, onderwijs en medische zorg. Bij ziekte en pensionering kregen de burgers volledige doorbetaling van loon. Er werd geen B.T.W., accijns en loonbelasting afgedragen (Het Internationaal Verbond van Vakverenigingen te Brussel, 1913)

Na de bezetting van Nederlands-Indië besloten de Japanners de lonen van de Javanen te verlagen met 30%. Dit om reden dat Javaanse arbeider voorheen net zoveel verdiende als een onderofficier in het Keizerlijke leger. Met deze verlaging werd de ‘lager klasse’ van de Javaanse arbeider aangeduid.