Life at the Compagny

Het (laatste) huis op de thee-en rubberonderneming Tjiemas, lag op een berg. Via de achterzijde van het huis keek je naar beneden op de grote moestuin. Verder naar beneden zag je het oerwoud. Bij een harde storm zag ik daar een keer een enorme ‘woudreus’ omgaan. De geluiden die daaruit kwamen waren voor mij als kind soms angstaanjagend. Een keer zag ik een krokodil op een draagbaar. Ze hadden zijn bek dichtgebonden. Ik kon hem dus rustig aanraken.

Ik leed aan asthma, maar wist niet beter of benauwd zijn hoorde er bij. Om elf uur in de morgen kreeg ik ovomaltine. Ik hield niet van melkproducten (bleek later ook niet goed te zijn voor astmapatiënten) en wist deze handig achter een muurtje weg te werken. Ik herinner me niet dat dit ontdekt werd.

In de middagen dronken wij thee in de tuin. Wij aten er dan gekookte pinda’s bij. De pinda’s werden uit hun buitenste schil gepeld. In die schil groeien ze aan de wortels van de pindaplant. Wij dronken er Siroop Susu bij. Deze siroop mengde wij ook door onze Kelapa  Muda (Jonge kokosnoot) De stukjes kokosnoot werden in het eigen kokosnat in een glas gedaan. In die hele warme dagen masseerde ik mijn moeders voorhoofd. Dat werd ‘pietjieten’ genoemd. Zij had soms last van migraine.

Het ondergoed bestond uit een hemd en broekje dat aan elkaar vast zat. In de taille op de rug zat een horizontale rij knoopjes. Zo’n kledingstuk werd ‘tjelana monjet’ (apenpakje) genoemd. De groteren droegen een ‘kutang’ (een BH)

Trees vertelt in een interview, ik ben in isolement opgegroeid. Lager onderwijs kregen wij thuis. Mijn moeder was onderwijzeres, daardoor hebben wij gelukkig goed onderwijs gehad. We leerden een hoop dingen, die je in Nederland niet leert.  Ik kan bijvoorbeeld uitstekend schieten, ging vaak met mijn vader op zwijnenjacht.  Ik heb geleerd hoe je rijst moet inkopen, hoe je gages (lonen) moest uitbetalen, hoe je een stuwdam moet maken (Interview Trees Schrijnen, Vergeten kampslachtoffers, wij Indische mensen worden continue gediscrimineerd, PS reportage, p. 2,  9 augustus 1980)

Tot de middelbare schoolleeftijd, kregen wij thuisonderwijs van mijn moeder. Wanneer ik geen zin in leren had, verstopte ik mij. Wel las ik heel vroeg en graag, bijvoorbeeld de hele serie van Bruintje Beer.  Voor de middelbare school, moesten de kinderen naar de kostschool in Batavia.  Wanneer de oudste drie zussen (Trees, Nel, Wies) terugkwamen voor vakanties, werden we, de jongsten (ik/Lidy, Claartje) verrast op kostschoolverhalen.

 

.

Van links naar rechts: Lidy, Wies, Claartje en Trees.

Bijvoorbeeld  hoe op de kostschool gedoucht ofwel ‘gemandied’ moest worden. Je schept met een emmertje het water over je heen. Ze moesten daarvoor een sarong tot onder de oksels dragen. Onder deze sarong moesten zij zich inzepen en ook afspoelen. Een non stond in de deuropening te kijken of de meisjes zich aan deze regel hielden. Een keer hadden de meisjes met elkaar afgesproken de sarong tegelijkertijd te laten vallen. De non schrok zich wild. Welke straf er volgde is mij niet bekend.

Vanwege de warmte liepen wij op blote voeten. Dat bracht met zich mee dat wij die nagelbijters waren. Zo zonder schoenen, kloven we zelfs aan  de nagels van onze tenen. Niet alleen onze nagels moesten het ontgelden, maar ook onze houten penhouders. Alles werd door mijn vader met kinine ingesmeerd. Omdat kinine zo intens bitter is, hoopte hij zo het ons af te leren. Maar wij wenden gauw aan die smaak en kloven rustig verder. Af en toe werd kinine ons ook toegediend als preventief middel tegen malaria. We stonden alle vijf op een rij en mijn vader mikte de pillen dan een voor een in onze mond.

.

Cuveluurtje

Regelmatig gingen wij zwemmen aan de Wijnkoopsbaai. Niemand was daar. Het strand was geheel van ons. Wij hoefden dan ook geen badpak aan.

Wij groeide op met een legende over de godin Dewi  Nyo Roro  Kidul van de Indische oceaan. Deze godin was getrouwd met de sultan van Yogjakarta en elke opvolger daarvan! Wanneer de godin te weinig offers van de bevolking kreeg, werd zij kwaad. Haar woede uitte zich in stormen en Tsunami’s. Wanneer je een groen badpak aan had, ontvoerde de godin je naar haar paleis diep in de zee. Maar de aard van de “nuchtere Nederlander” zat ook in ons en zwakte de angstige legendes en het bijgeloof in Indië af.

.

 

In de avonden zaten wij op de stoep van ons achterhuis. Wij keken over het oerwoud naar de mooie zonsondergang. De lucht was iedere avond vol met prachtige kleuren.

Ik was een slechte eter. In de onderneming Tjiemas en de Bodjong Genteng, werd ik, als ik vóór het verplichte middagslaapje mijn eten niet op had, ná dit slapen in de goedang gezet met mijn eten net zo lang tot ik het op had. De goedang is een provisiekamer, waar bananen hangen. Deze provisiekamer werd afgesloten met een hor. Moeder wilde bijvoorbeeld dat wij de gezonde postelein uit de moestuin aten. De inmiddels koud geworden postelein met koude rijst was niet naar binnen te krijgen!

S'avonds

 

In de avonden speelde mijn vader accordeon. In die tijd was er nog geen TV. Maar we zouden hem niet nodig gehad hebben! Moeder gaf onderwijs aan ons en aan mensen en kinderen in de kampong. Ook weefde, schilderde, dichtte en leerde zij ons boetseren. Ze hield erg van orchideeën en varens. De varens, w.o. een  ‘chuveluurtje’ groeiden op schors hangend binnen of buiten. Wij hebben er ook nu nog een staan.

Pierre

Pierre Schrijnen

We sliepen met een kussen in de vorm van een rol, een goeling, Deze werd tussen de benen gelegd. Bij transpiratie kleefden dan de benen niet aan elkaar.

Op de dichtstbijzijnde onderneming, 2 uren reizen, woonde de familie Koomen. Oom Bert en tante Katrien met hun 4 zonen (Jaap, Joop, Bert en Koen) Deze zonen waren van onze leeftijd.  De logeerpartijen waren erg leuk. We maakten in oude theebossen hutten, door tussen een paar bomen takken te vlechten.

Trees vertelt, ik heb weinig Europese speelmakkertjes gehad.  Wij speelden met de ’katjongs’ (inheemse kinderen)Wat je de Holanders hier (In Nederland) zo moeilijk kunt uitleggen onze liefde voor het land, voor de cultuur, voor de bevolking.  Wij beschouwden de mensen niet als minder. Alleen onze maatschappelijke positie was toevallig anders. Wij hadden zeven man personeel, maar als ik tegen de baboe zei dat ze een jurk van mij moest wassen, kreeg ik van mijn vader een standje. De baboe moest niets, zei hij dan, als je iets van haar wilt, kun je dat netjes vragen. (Interview Trees Schrijnen, Vergeten kampslachtoffers, wij Indische mensen worden continue gediscrimineerd, PS reportage, p. 2,  9 augustus 1980)

Met Kerstmis kwam de Kerstman. Toen een keer zijn puntmuts in de brand vloog en mijn vader die hem nog net kon redden, zagen we wie deze Kerstman was. Sindsdien is ons geloof in hem verloren gegaan.

Vader en moeder maakten een reis naar de familie in Nederland en namen de jongste, Claartje mee. De oudste vier konden niet mee en logeerden tijdens hun reis bij mevrouw Sillevolt. Zij had een pension in de stad Soekaboemi. Ook zij deed haar best mij meer te laten eten, door een mooie hoofdletter L van honing op mijn boterham te maken. Het in de stad zijn, was voor  mij een hele ervaring. Ik moest daar naar school. Het kostte mij moeite om aan te passen. Ik vond toen, eerlijk gezegd, die nonnen met hun witte wijd uitstaande kappen doodeng! Ik was nog een echt rimboekind.

Trees

Trees, de oudste dochter, ging vaak als kind mee met haar vader Pierre naar de rubber-onderneming in de Wijnkoopsbaai te Java. De onderneming was van de Nederlandse Handelsmaatschappij. Pierre betrok Trees al jong bij zijn werk. Deze onderneming was zo groot als de stad Utrecht. De naaste buren zaten op zo’n 50 kilometer afstand.

Na de internering van haar vader Pierre in 1942 in het mannenkamp Buitenzorg, staat zij en haar  moeder er alleen voor. Onder leiding van moeder Nel en dochter Trees (14 jaar) wordt de  onderneming gerund.

Trees had geleerd rijst te verdelen onder de bevolking. ‘We deden dat heel zuinig, want we konden geen nieuwe rijst kopen omdat de Jappen alle Nederlandse banktegoeden hadden geblokkeerd. We hebben aan de bevolking eigen stukjes land uitgegeven, zodat ze hun eigen groentetjes konden verbouwen. Wijzelf moesten al snel ook uit de tuin leven.  Er was honger.

Door de honger stroopten de rampokkers, (plunderaars)  het land af. Die keken niet op een mensenleven. Uit de hele streek zijn maar twee families in leven gebleven. Dat jaar op de onderneming was een verschrikking. Het huis was gebarricadeerd, moeder was op van de zenuwen, ze had tenslotte de verantwoording voor veertig vrouwen en kinderen. Toen we het kamp in moesten was dat voor mijn moeder eigenlijk een verademing (Interview Trees Schrijnen, Vergeten kampslachtoffers, wij Indische mensen worden continue gediscrimineerd, PS reportage, p. 2,  9 augustus 1980)