De plek waar we woonden

Foto 1

Foto 1

De ruïne genomen met de rug naar de weg( het westen) Het huis is in 1970 afgebrand. Er stond toen nog een enkele theestruik en er was veel stof, dat kwam van de uitbarstingen van de vulkaan de Lahungung, Geen slachtoffers, alleen stof tot aan Australië! ( Martien , 1982)

Foto 2

Foto 2

Nu stonden er volwassen klapperbomen. Beneden over de plek ,wat lager gelegen,waar vroeger de moestuin was, heen kijkend, zie je de kampong van Bodjong Genteng liggen. De moestuin was nuttig, want je moest je je zo veel mogelijk zelf voorzien van groenten. De stad en winkels waren immers ver weg. Bodjong Genteng heeft nu stenen huisjes.

Hieronder zie je links een heuveltje, waar vroeger een hertje op stond. Dit was de oprit en rechts stonden de paardenstallen. Ik was zo intensief aan het speuren naar sporen uit ons verleden, dat mijn armen helemaal onder de insectenbeten kwamen te zitten. Men heeft mij geholpen, door ze te betten. Er stonden op dezelfde hoogte ook nog een paar huisjes, waar ik me herinnerde onder gespeeld te hebben.

 

Foto 3

Foto 3

Hier onder is dan de bovenste trede van trap, die vanaf deze heuvel naar de kampong leidde, vanwaar ik wat stukjes meegenomen heb.Hier onder is dan de bovenste trede van trap, die vanaf deze heuvel naar de kampong leidde, vanwaar ik wat stukjes meegenomen heb.

Foto 4

Foto 4

We gingen toen langs de autoweg verder naar beneden., naar Bodjong Genteng. En warempel, onderaan resteerden nog een stuk of tien treden. En we vonden ook een muur die nog overeind stond, van de vroegere theefabriek. ( foto links onder) Hij was zwart geblakerd. Er wordt nu geen thee meer verbouwd. We reden weg en ik keek achterom en filmde nog die laatste treden, foto rechts onder.

Hier onder een schema van de plek waar wij woonden. De indeling van het huis. De autoweg naar Bodjong Genteng ,de moestuin. Op de foto’s het restant van de theefabriek en de trap.

Foto 5

Foto 5

Foto 6

Foto 6

Foto 5

Foto 7

We bekeken nog even het onderkomen van de heer Jonkheer, die na de oorlog nog een poosje het werk van Pierre Schrijnen deed.

Soekaboemi. We mochten logeren in het Franciscanessen klooster in een cel van hun retraitehuis. Vroeger was dit verbonden met het Liduina ziekenhuis, waar ik geboren was. Maar nu is de verbinding gesloten en mogen ze er niet meer werken. Het ziekenhuis is aan de staat gekomen. De nonnen zijn nog wel werkzaam in andere beroepen. Het ziekenhuis is er niet op vooruitgegaan. Ook zijn er aan weerszijden moskeeën, waaruit vele malen per dag heel luid het gebed wordt geluid. Dit bracht de honden uit de omgeving tot een klaaglijk gejank. Niet fijn voor de patiënten dacht ik. Net als bij het Carolus Boromeus en elders, werd hier het gras met de hand geknipt! Het zag er keurig uit! Ik werd ziek. Het aanbevolen restaurant was toch niet zo veilig als wij dachten. Maar geen nood. Uit het ziekenhuis kwamen twee kleine vrouwelijke doktoren en die maakten mij weer beter. Jannie, , kwam op ziekenbezoek. En wat bracht zij mee? Soep en heel veel Indische koekjes, daar zou ik wel gauw beter van worden!

Foto 7

Foto 8

Dit is de Wilhelmina school in Soekaboemi , de lagere school, waar ik een paar maanden op geweest ben, toen vader en moeder met mijn jongste zusje, Claartje naar Nederland waren. Het was het klasje achteraan rechts. Het viel me op, dat er geen open aula meer was, maar dat men alles dicht gemaakt had. Open veranda’s zijn dichtgebouwd of van tralies voorzien. Iets wat ons overal opviel. Indonesië is onveiliger geworden. Een oude Indonesiër, die wij spraken, zei ons , dat, wat er ook allemaal verkeerd gegaan was in die 300 jaar Nederlandse kolonie, dit bij elkaar nog niet zo verschrikkelijk was als datgene wat hun overkomen was in drie jaar Japanse bezetting.